Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Bandvink
Bandvink | Amadina fasciata
Cut-Throat Finch | Estrilda degollada
De bandvink dankt zijn Engelse naam, Cut-Throat Finch, aan de karmijnrode band die bij het mannetje dwars over de keel loopt. Het is een gedrongen, fijn gebandeerde astrild van de Afrikaanse savannes, die in het gidsgebied alleen bij hoge uitzondering opduikt, als zwerver uit de Sahel of als ontsnapte kooivogel.
Geluid
Een zacht, ijl iee-iee-iee en een droog tsjup in de vlucht. De zang van het mannetje is een zacht, zoemend gekwetter met lage brommende tonen.
Opname: Richard White — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12 cm, gedrongen, met een dikke, bleek hoornkleurige snavel. Het kleed is lichtbruin tot zandkleurig met fijne zwarte bandering en schubbing op kop, rug en flanken; de vleugeldekveren hebben lichte eindvlekjes. Het mannetje heeft een opvallende karmijnrode band over de keel, van oor tot oor, en een kastanjebruine vlek midden op de buik. Het vrouwtje mist keelband en buikvlek, maar heeft dezelfde fijne bandering. Jonge mannetjes tonen al vroeg een smalle, doffere rode keelband.
Verwarringssoorten
Vrouwtjes van mussen, zoals de huismus (Passer domesticus) en de Soedanese goudmus (Passer luteus), missen de fijne bandering over het hele lichaam. Het zilverbekje (Euodice cantans) is ook fijn gebandeerd, maar kleiner, met een zilverblauwe snavel en een lange spitse zwarte staart. De nauw verwante roodkopamadine (Amadina erythrocephala) van zuidelijk Afrika heeft bij het mannetje een volledig rode kop; die komt als ontsnapte kooivogel in aanmerking.
Leefgebied
Van huis uit droge acaciasavanne en doornstruweel, vaak bij water, dorpen en akkers. Zwervers en ontsnapte vogels in het gidsgebied zijn te verwachten bij water in begroeide wadi's, in tuinen, parken en akkerranden, vaak tussen mussen of andere astrilden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied alleen losse waarnemingen. Vogels in steden, parken en tuinen, onder meer in de Golfstaten en Israël, gelden doorgaans als ontsnapte kooivogels; vogels aan de zuidrand van de Sahara en in het zuiden van Egypte kunnen ook natuurlijke zwervers uit de Sahel zijn. Een vaste populatie is er niet. Daarbuiten in de savannegordel van Senegal en Mali via Niger, Tsjaad en Soedan tot Ethiopië, en zuidwaarts door Oost-Afrika tot het noorden van zuidelijk Afrika.
Hoe en wanneer kijken
Een bandvink in het gebied is een vondst die goed gedocumenteerd moet worden, met foto's en aandacht voor sporen van gevangenschap zoals versleten veren of ringen. Het meeste kans geven tuinen en drinkplaatsen in het uiterste zuiden, zoals in de Hoggar of het zuiden van Egypte, tussen groepjes zilverbekjes en mussen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in Afrika vrij algemeen. Wordt gevangen voor de kooivogelhandel, waarin de soort van oudsher populair is; die handel is ook de waarschijnlijke herkomst van de meeste vogels die in het gidsgebied worden gezien.
Wetenschappelijke naam
Amadina fasciata | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Loxia fasciata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Amadina werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Amadina is een verbasterd verkleinwoord van Ammodramus, een geslacht van Amerikaanse gorzen; Swainson zag de bandvink als schakel tussen dat geslacht en Estrilda. fasciata is Latijn voor 'gebandeerd' — naar de rode band over de keel van het mannetje en de fijne dwarsbandering van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal (later aangewezen).

