Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Atlasvliegenvanger
Atlasvliegenvanger | Ficedula speculigera
Atlas Pied Flycatcher | Papamoscas del Atlas
De atlasvliegenvanger is een van de weinige zangvogels die als broedvogel geheel tot het gidsgebied beperkt is: hij broedt alleen in de bergbossen van Marokko, Algerije en Tunesië. Lang gold hij als ondersoort van de bonte vliegenvanger; zang, kleed en DNA maken hem nu tot een aparte soort.
Geluid
De zang is het beste kenmerk: korter, harder en ritmischer dan die van de bonte vliegenvanger, drie tot vijf scherp geaccentueerde tonen op vrijwel dezelfde hoogte, tsjie-tsjie-tsjie-tsjuu, als een klein hameren, zonder het opgaande slot van de bonte vliegenvanger. De roep is een scherp bit en bij onrust een droog tek.
Opname: Cedric Mroczko — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm. Compact en kortstaartig, rechtop op een tak, vanwaar hij uitvalt naar insecten en terugkeert terwijl hij met vleugels en staart tikt. Het mannetje in broedkleed is diep, glanzend zwart boven, zonder bruine waas, en zuiver wit onder. Het witte voorhoofdsvlak is groot, meestal één breed blok. Het witte vleugelveld is groot en loopt als een lange wig ver over de basis van de handpennen door, veel verder dan bij de bonte vliegenvanger; de tertials hebben brede witte zomen. Sommige mannetjes tonen een vage lichte nekvlek, maar nooit een volledige witte halsband. Het vrouwtje is grijsbruin boven en vuilwit onder, met een witte vleugelvlek en een lichte vlek aan de handpenbasis; ze is in het veld nauwelijks van een vrouwtje bonte vliegenvanger te onderscheiden.
Verwarringssoorten
De bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca), in het voorjaar een talrijke doortrekker door dezelfde bergen, is het lastigst: het mannetje is vaak bruiniger zwart, heeft een kleiner, vaak tweedelig voorhoofdsvlak en weinig of geen wit aan de handpenbasis. De withalsvliegenvanger (Ficedula albicollis) heeft een volledige witte halsband en een witte stuit; de balkanvliegenvanger (Ficedula semitorquata) een halve halsband en een tweede witte vleugelstreep. Vrouwtjes en jonge vogels zijn niet zeker te scheiden; houd het bij broedvogels in de bergbossen op deze soort.
Leefgebied
Bergbos boven ongeveer 800 m: cederbos, steeneik- en kurkeikbos en gemengd bos met oude bomen vol holtes, in Tunesië ook grote parken bij het bos. Broedt in spechtengaten en natuurlijke holtes en neemt graag nestkasten aan. Op de trek ook in oases en tuinen aan de rand van de Sahara.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Marokko in de Rif, de Middel-Atlas (onder meer rond Ifrane en Azrou) en plaatselijk de Hoge Atlas; in Noord-Algerije in de Tell-Atlas, Kabylië (Djurdjura, Babors) en de Aurès; en in Noordwest-Tunesië in de Kroumirie rond Aïn Draham. Niet in Libië. Trekt in april en augustus – september over de Sahara, waarbij hij in de oases van Zuid-Marokko en Algerije kan opduiken. Overwintert in West-Afrika ten zuiden van de Sahara; het winterareaal is slecht bekend, met slechts enkele zekere gevallen, onder meer uit Ivoorkust.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Bezoek in mei de cederbossen rond Ifrane en Azrou in de Middel-Atlas of de kurkeikbossen bij Aïn Draham in Tunesië en luister naar de korte, hamerende zang vanaf een dode tak halverwege de kroon. Mannetjes zingen het meest in de eerste weken na aankomst.
Staat van instandhouding
Wereldwijd beoordeeld als niet bedreigd, al staat hij in de GBIF-Rode Lijst nog als niet geëvalueerd omdat hij pas recent als soort wordt erkend. Kwetsbaar door zijn kleine areaal: de bergbossen van de Maghreb lijden onder houtkap, overbegrazing, droogte en bosbranden, en het verlies van oude bomen met holtes beperkt het aantal nestplaatsen.
Wetenschappelijke naam
Ficedula speculigera | (Bonaparte, 1850)
Bonaparte beschreef de soort in 1850 als M[uscicapa] speculigera; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ficedula werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Ficedula is Latijn voor een klein vijgenetend vogeltje, van ficus 'vijg'; men meende dat het zich in de winter in een zwartkop veranderde. speculigera is Latijn voor 'spiegeldragend', van speculum 'spiegel' en gerere 'dragen', naar de witte vleugelspiegel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algiers.

