Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Afrikaanse koningsstern

Afrikaanse koningsstern | Thalasseus albididorsalis

West African Crested Tern | Charrán real africano

Een grote, slanke kuifstern met een lange oranje snavel, die van Mauritanië tot de Golf van Guinee broedt en na de broedtijd langs de Atlantische kust naar het noorden zwerft. Aan de baaien van Westelijke Sahara is hij in de winter algemeen, en in de zomer zijn er steeds vaker honderden vogels met jongen, wat op uitbreiding van het broedgebied naar het noorden kan wijzen.

Afrikaanse koningsstern (Thalasseus albididorsalis)
Foto: mattblissett — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, rollend kirreet of krie-it, wat hoger en zuiverder dan bij de grote stern.

Luister: RoepXC246637

Opname: Bram Piot — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Groot, met lange, smalle vleugels, een gevorkte staart en een lange, vrij slanke, spitse oranje tot geeloranje snavel. In zomerkleed een zwarte kap met een rafelige kuif; het grootste deel van het jaar een wit voorhoofd en voorkruin en een zwarte, gestreepte achterkop. De bovendelen zijn zeer licht zilvergrijs, lichter dan bij de grote kuifstern, met donkerder buitenste handpennen; de onderdelen zijn wit. Jonge vogels hebben donkere vlekjes op mantel en vleugels, donkere vleugelbanden en een geelachtige snavel.

Verwarrings­soorten

De koningsstern (Thalasseus maximus) uit Amerika is iets groter en zwaarder, met een kortere, dikkere, roder oranje snavel; in het veld zijn ze nauwelijks te scheiden. De reuzenstern (Hydroprogne caspia) is groter en zwaarder, met een dikke rode snavel en zwarte handpenpunten van onderen. De Bengaalse stern (Thalasseus bengalensis) is duidelijk kleiner, grijzer van boven en heeft een fijnere oranjegele snavel. De grote stern (Thalasseus sandvicensis) heeft een zwarte snavel met gele punt.

Leefgebied

Ondiepe baaien, lagunes, riviermondingen en zandstranden langs een koude, visrijke kust; rust in groepen op zandbanken en stranden, vaak met meeuwen en andere sterns. Vist in ondiep kustwater met een steile duik.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied vooral aan de Atlantische kust van Westelijke Sahara en Zuid-Marokko: algemeen in de baai van Dakhla, minder talrijk bij de lagune van Khnifiss, Tan-Tan Plage, de monding van de Oued Draa en de mondingen van Oued Massa en Oued Souss; noordelijker schaars, met losse waarnemingen tot Oualidia en de Straat van Gibraltar. De eerste vermelding dateert van april 1955 bij Dakhla. Ook in juni en juli zijn er groepen van tientallen tot honderden vogels; in 2012 en 2014 werden in de baai van Dakhla en bij Khnifiss jonge vogels en adulten die jongen voerden gezien, maar een nest is in Marokko niet gevonden. Buiten het gebied broedt hij op enkele eilanden van Mauritanië (Banc d'Arguin), Senegal (Saloumdelta), Gambia en Guinee-Bissau, en mogelijk verder oostelijk tot Nigeria; buiten de broedtijd langs de kust tot Namibië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De baai van Dakhla is de beste plek, in de winter en ook in de zomer: zoek op de zandbanken bij laag water en bij de vissershaven. Bij Khnifiss rusten in de zomer soms honderden vogels; ook groepen sterns op de stranden van Tan-Tan Plage zijn het bekijken waard.

Staat van instandhouding

Door de IUCN nog niet beoordeeld. De wereldpopulatie telde begin jaren negentig ongeveer 25.000 paren, geconcentreerd in een handvol kolonies, wat hem kwetsbaar maakt voor verstoring en overbevissing van de kustwateren. In het gidsgebied lijkt hij toe te nemen.

Wetenschappelijke naam

Thalasseus albididorsalis | (Hartert, 1921)

Hartert beschreef de soort in 1921 als Sterna maxima albididorsalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Thalasseus werd in 1822 ingevoerd door Boie. Thalasseus is afgeleid van het Oudgriekse thalassa 'zee'. albididorsalis komt van het Latijnse albidus, 'witachtig', en dorsalis, 'van de rug' — naar de bleke rug, lichter dan bij de Amerikaanse koningsstern. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Baie du Lévrier bij Kaap Blanc, Mauritanië.