Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Zwartkeelgors

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Zwartkeelgors | Amphispiza bilineata

Black-throated Sparrow | Zacatonero garganta negra

De zwartkeelgors is een slanke, grijze gors van droge woestijn en halfwoestijn, met een zwarte keel en scherpe witte strepen op de kop. Hij leeft van het zuidwesten van de Verenigde Staten tot in het midden van Mexico en kan lang zonder drinkwater.

Zwartkeelgors (Amphispiza bilineata)
Foto: Keenanhye — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is helder en tinkelend: twee of drie korte, hoge noten gevolgd door een triller, zoals tink tink trrrrrr, in veel variaties. De roep bestaat uit zachte, hoge, tinkelende tsjip-noten, vaak in reeksjes.

Luister: ZangXC1151104

Opname: Pat Goltz — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

12–14 cm. Slank, met een vrij lange, zwarte staart met witte buitenranden en -hoeken. Kop grijs met een scherpe witte wenkbrauwstreep en een witte baardstreep die een zwarte keel en bef omlijsten. Bovendelen egaal grijsbruin, onderdelen wit tot lichtgrijs, flanken iets bruiner. Snavel grijs. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels missen de zwarte keel en zijn fijn gestreept op borst en rug, maar hebben al de witte wenkbrauwstreep.

Verwarrings­soorten

De vijfstrepengors Amphispizopsis quinquestriata is donkerder, heeft een grijze borst met een zwarte vlek in het midden en leeft op steile, begroeide rotshellingen. Jonge zwartkeelgorzen zonder zwarte keel kunnen lijken op de nevadagors Artemisiospiza nevadensis en Bells gors Artemisiospiza belli; die hebben een witte oogring, een witte vlek voor het oog, een donkere baardstreep en een donkere vlek midden op de borst, maar geen lange witte wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Droge, open woestijn en halfwoestijn met verspreide struiken als creosootstruik, mesquite en acacia en met cactussen, op vlakten, puinwaaiers en rotsachtige hellingen. Haalt het meeste vocht uit zaden en insecten. Buiten de broedtijd in kleine groepjes, soms samen met andere gorzen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Van het zuidwesten van de Verenigde Staten tot in het midden van Mexico. In het gidsgebied in heel Baja California en op enkele eilanden in de Golf van Californië, in Sonora en verder over de droge hoogvlakte van Chihuahua en Coahuila tot Nuevo León en Tamaulipas, en zuidelijk tot Zacatecas, San Luis Potosí, Guanajuato, Querétaro en Hidalgo. De noordelijkste broedvogels, uit het Great Basin, trekken in de winter naar het zuiden en voegen zich dan bij de standvogels in het noorden van Mexico.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de vroege ochtend zingen de mannetjes vanaf de top van een struik; bij drinkplaatsen en irrigatiewater in de woestijn verschijnen vaak groepjes.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Wijdverbreid en plaatselijk algemeen in droge gebieden. De achteruitgang in Noord-Amerika wordt in verband gebracht met omzetting van woestijnstruweel in landbouwgrond en bebouwing en met uitheemse grassen die branden bevorderen.

Wetenschappelijke naam

Amphispiza bilineata | (Cassin, 1850)

Cassin beschreef de soort in 1850 als Emberiza bilineata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Amphispiza werd in 1874 ingevoerd door Coues. Amphispiza is Grieks, van amphi 'nabij' en spiza 'vink', omdat het geslacht nauw verwant leek aan Junco en Peucaea. bilineata is Latijn voor 'met twee lijnen', naar de witte wenkbrauw- en baardstreep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rio Grande, Texas (VS).