Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Prairiegors

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Prairiegors | Calamospiza melanocorys

Lark Bunting | Gorrión ala blanca

De prairiegors is een forse, gedrongen gors van open grasland. In het broedkleed is het mannetje zwart met grote witte vleugelvlekken; in de winter lijken mannetjes en vrouwtjes op gestreepte, bruine gorzen. De soort broedt in de Great Plains van Noord-Amerika en overwintert in groepen op de droge vlakten in het noorden van Mexico.

Prairiegors (Calamospiza melanocorys)
Foto: Ryan Douglas — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter vooral de roep: een zacht, fluitend hoe-ie, vaak in vlucht te horen uit een groep. De zang, in de broedtijd vaak in een zangvlucht gebracht, is een rijke reeks fluittonen, trillers en droge noten; in het gidsgebied soms al in het voorjaar te horen.

Luister: ZangXC897610

Opname: Thomas G. Graves — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

15–18 cm. Gedrongen, met een dikke, kegelvormige, blauwgrijze snavel en een vrij korte staart met witte hoeken. Mannetje in broedkleed geheel zwart met een grote witte vlek op de vleugel. Vrouwtje en vogels in winterkleed grijsbruin met donkere strepen op rug, borst en flanken, een lichte wenkbrauwstreep, een donkere baardstreep en een grote witte tot bleek okerkleurige vlek op de vleugel; mannetjes in winterkleed tonen vaak wat zwart in het gezicht en op de onderdelen. In maart en april verschijnen in het gidsgebied steeds meer mannetjes in een vlekkerig zwart-wit overgangskleed.

Verwarrings­soorten

Vogels in winterkleed kunnen worden verward met de avondgors Pooecetes gramineus, die een kleinere snavel, een witte oogring en witte buitenste staartpennen heeft en geen lichte vlek op de vleugel. De grote lichte vleugelvlek, de dikke snavel en het leven in groepen maken de prairiegors in het veld meestal goed herkenbaar.

Leefgebied

In de winter open, kort grasland, halfwoestijngrasland, braakliggende akkers, stoppelvelden en weiland met verspreide struiken; ook langs wegbermen. Leeft in groepen van tientallen tot honderden vogels, die laag over het veld vliegen en samen op de grond naar zaden zoeken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Broedt in de Great Plains, van het zuiden van Canada tot in het noorden van Texas en New Mexico. Overwintert in het zuidwesten van de Verenigde Staten en het noorden en midden van Mexico. In het gidsgebied vooral in Sonora, Chihuahua, Coahuila, Durango, Zacatecas en Nuevo León, zuidelijk tot San Luis Potosí, Aguascalientes, Jalisco en Guanajuato; zeldzaam in Baja California.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Groepen zijn het best te vinden door langzaam langs wegen door halfwoestijngrasland en akkerland te rijden en te letten op de witte vleugelvlekken van opvliegende vogels.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Nog talrijk, maar de broedpopulatie in de Great Plains is sinds de jaren 1960 sterk afgenomen. Omzetting van grasland en halfwoestijngrasland in akkerland, zowel in de broedgebieden als in de overwinteringsgebieden in het noorden van Mexico, geldt als belangrijkste oorzaak.

Wetenschappelijke naam

Calamospiza melanocorys | Stejneger, 1885

Stejneger beschreef de soort in 1885 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Calamospiza werd in 1838 ingevoerd door Bonaparte. Calamospiza is Grieks, van kalamos 'riet, gras' en spiza 'vink': 'grasvink', naar de open graslanden waar hij leeft. melanocorys is Grieks, van melas 'zwart' en korus 'leeuwerik': 'zwarte leeuwerik', naar het zwarte zomerkleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit vlakten langs de Platte River (VS; volgens de beschrijving).