Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Zwart-witte bosuil

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves

Zwart-witte bosuil | Strix nigrolineata

Black-and-white Owl | Búho blanquinegro

De zwart-witte bosuil is een middelgrote bosuil zonder oorpluimen, met een zwart gezicht en fijn zwart-wit gebande onderdelen. Hij leeft in vochtig laaglandbos en aan bosranden van het zuiden van Mexico tot Panama en verder in het noordwesten van Zuid-Amerika. Hij jaagt ’s nachts vaak rond lantaarns en verlichte gebouwen aan de bosrand, waar hij op vleermuizen en grote insecten jaagt. Net als de bonte bosuil werd hij vroeger in het geslacht Ciccaba geplaatst.

Zwart-witte bosuil (Strix nigrolineata)
Foto: Chris Jimenez from CR — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks van enkele diepe, korte hoetonen die eindigt met een luidere, iets hogere en langgerekte toon, hoe-hoe-hoe-HOEóh. Daarnaast een enkele diepe hoeroep en een hese, opklimmende schreeuw. Vooral te horen in de eerste uren na zonsondergang en voor zonsopkomst.

Luister: RoepXC1184706

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

35–40 cm, met een ronde kop zonder oorpluimen en donkere ogen. Gezicht, kruin en bovendelen zijn roetzwart; boven de ogen loopt een wenkbrauw van witte stippels en over de achterhals een smalle, wit gebande kraag. De onderdelen zijn wit met dichte, smalle zwarte banden van keel tot onderstaartdekveren. De staart is zwart met enkele smalle witte banden. Snavel en tenen zijn geel tot oranjegeel. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De bonte bosuil Strix virgata is kleiner en bruin, met een bruine gezichtsschijf en lengtestrepen op de onderdelen in plaats van dwarsbanden. De briluil Pulsatrix perspicillata is groter, heeft gele ogen, een witte bril op een donkere kop en een effen geelachtige buik. De kuifuil Lophostrix cristata heeft lange witte oorpluimen en een effen bruinige onderzijde.

Leefgebied

Vochtig laaglandregenwoud, heuvelbos, galerijbos, bosranden, open plekken met grote bomen, oudere secundaire bosjes en soms mangrove; ook in plantages met schaduwbomen en in dorpen en parken aan de rand van bos. Komt vooral voor in het laagland tot ongeveer 1000 meter hoogte, plaatselijk hoger. Jaagt op vleermuizen, grote insecten, kleine knaagdieren en kikkers, vaak vanaf een tak bij een lamp.

Verspreiding en trek

Standvogel aan de Caribische kant van het zuiden van Mexico, van het zuiden van Veracruz en het noorden van Oaxaca tot Tabasco, Chiapas, Campeche en Quintana Roo, en aan de Pacifische kant van Chiapas; daarnaast een kleine, plaatselijke populatie in Nayarit. Verder door heel Midden-Amerika tot in Panama, aan de Caribische kant algemener dan aan de Pacifische kant. Buiten het gidsgebied in het westen van Colombia, Ecuador en het noordwesten van Venezuela.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Lodges, onderzoeksstations en parken in het laagland zijn de beste plekken: in Costa Rica bijvoorbeeld de regenwouden van de Caribische kant en de omgeving van Carara, in Belize en in Tikal in Guatemala. Na het donker zit hij soms bij buitenlampen of straatverlichting op de loer naar insecten en vleermuizen. In Nayarit wordt hij gezien langs de oude weg tussen La Bajada en Jalcocotán.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is vrij wijdverbreid, maar is afhankelijk van bos en wordt plaatselijk zeldzaam waar het laaglandbos verdwijnt.

Wetenschappelijke naam

Strix nigrolineata | (Sclater, 1859)

Sclater beschreef de soort in 1859 als Ciccaba nigrolineata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Strix werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Strix is het Latijnse woord voor 'uil'; in de klassieke overlevering was de strix een nachtvogel die het bloed van zuigelingen zou drinken. nigrolineata is Latijn, van niger 'zwart' en lineatus 'gestreept', naar de fijne zwarte bandering op de witte onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oaxaca, Mexico.