Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Zanggors

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Zanggors | Melospiza melodia

Song Sparrow | Chingolo cantor

De zanggors is een bruine, sterk gestreepte gors van dichte begroeiing bij water. Over zijn grote Noord-Amerikaanse verspreidingsgebied varieert hij sterk in grootte en kleur, met tientallen ondersoorten. In het gidsgebied leven standvogels in het noordwesten en op de centrale hoogvlakte van Mexico, terwijl noordelijke vogels er in de winter bijkomen.

Zanggors (Melospiza melodia)
Foto: Mykola Swarnyk — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang begint meestal met twee of drie heldere, herhaalde tonen, gevolgd door een zoemende toon en een gevarieerde triller; elk mannetje heeft meerdere zangtypen. De roep is een vol, nasaal tsjimp; daarnaast een dun, hoog tsiie.

Luister: ZangXC1153739

Opname: Ed Pandolfino — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–17 cm. Kop met een bruine kruin met grijze middenstreep, een brede grijze wenkbrauwstreep, een bruine oogstreep en een opvallend brede donkere baardstreep langs een witte keel. Borst en flanken wit met grove bruine of zwartachtige strepen die midden op de borst vaak samenvloeien tot een donkere vlek. Bovendelen bruin met donkere strepen. Staart lang en afgerond; in de vlucht wordt hij op en neer bewogen. De standvogels van de centrale hoogvlakte zijn kleiner en donkerder, met grovere, zwartere strepen. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De Lincolns gors Melospiza lincolnii is kleiner en fijner gebouwd, met fijne zwarte streepjes op een okerkleurige borstband en flanken en een grijzer gezicht. De moerasgors Melospiza georgiana heeft roestbruine vleugels en een grijze, nauwelijks gestreepte borst. De savannahgors Passerculus sandwichensis heeft een kortere, gevorkte staart, vaak gele teugels en leeft in open grasland.

Leefgebied

Dichte, lage begroeiing aan de rand van moerassen, meren, rivieren en irrigatiekanalen: riet, lisdodde, zegge, wilgen en ruigte. Ook in natte akkerranden, heggen en vochtige tuinen, en in Baja California in kweldervegetatie langs de kust. Zoekt op de grond naar insecten en zaden en zingt vanaf een open uitkijkpost.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Broedt in een groot deel van Noord-Amerika, van Alaska en Canada tot het noorden van Mexico. In het gidsgebied jaarrond in Baja California, in Sonora en Chihuahua langs rivieren en op de centrale hoogvlakte, van Durango en Zacatecas tot Jalisco, Michoacán, Guanajuato, het Dal van Mexico en Puebla. In de winter komen noordelijke vogels naar het noorden van Mexico, vooral in Sonora, Chihuahua, Coahuila, Nuevo León en Tamaulipas.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op de centrale hoogvlakte vaak te horen en te zien in de rietkragen en ruigten rond meren en kanalen, zoals bij het Lago de Chapala en in Xochimilco. Een mannetje dat zingt vanaf een rietstengel of struik zit open en zichtbaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Zeer wijdverbreid en algemeen in Noord-Amerika. De standvogels van de centrale hoogvlakte zijn afhankelijk van moerassen die door ontwatering, vervuiling en verstedelijking zijn verkleind.

Wetenschappelijke naam

Melospiza melodia | (Wilson, 1810)

Wilson beschreef de soort in 1810 als Fringilla melodia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melospiza werd in 1858 ingevoerd door Baird. Melospiza is Grieks, van melos 'zang' en spiza 'vink'. melodia is Latijn, ontleend aan het Griekse melōidia 'gezang', naar de rijke zang. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Philadelphia in Pennsylvania.