Alle soorten › Reuzennachtzwaluwachtigen › Reuzennachtzwaluwen › Vale reuzennachtzwaluw

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

Vale reuzennachtzwaluw | Nyctibius grandis

Great Potoo | Nictibio grande

De vale reuzennachtzwaluw is de grootste soort van zijn familie, een bleke, uilachtige nachtvogel met een enorme kop en een zeer brede bek. Overdag zit hij roerloos hoog in een boom, op of tegen een dikke tak, en lijkt dan op een uitgroeisel van het hout. In het gidsgebied is hij een standvogel van vochtig laaglandbos, van het zuidoosten van Mexico tot in Panama. Zijn diepe, grommende roep is een van de opvallendste nachtgeluiden van het regenwoud.

Vale reuzennachtzwaluw (Nyctibius grandis)
Foto: lwolfartist — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, rauw en grommend bwaaaarr of gwaaah, enkele keren met pauzes herhaald, vooral na zonsondergang en in maanlichte nachten. Klinkt eerder als een zoogdier dan als een vogel.

Luister: ZangXC627399

Opname: Mauricio Cuellar Ramirez (@Birding.travel) — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

48–60 cm. Een zeer grote, gedrongen reuzennachtzwaluw met een brede, ronde kop, een kort snaveltje met een enorm brede bek, lange, brede vleugels en een lange, afgeronde staart. Het verenkleed is overwegend vuilwit tot lichtgrijs met fijne bruine en zwarte golving en vlekjes, soms met een bruinere tint; de staart is fijn gebandeerd. De ogen zijn groot en donkerbruin, niet geel, en lichten in een lamp oranje op. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk. Jonge vogels zijn nog witter en zachter getekend.

Verwarrings­soorten

De grijze reuzennachtzwaluw Nyctibius griseus en de noordelijke reuzennachtzwaluw Nyctibius jamaicensis zijn kleiner en slanker, donkerder grijsbruin gevlekt, met een rij zwarte vlekken over de borst, een donkere baardstreep en gele ogen. Uilen, zoals de briluil Pulsatrix perspicillata en de bonte bosuil Strix virgata, hebben een gezichtssluier, een krachtige, gehaakte snavel en een korte staart.

Leefgebied

Hoog en oud vochtig bos in het laagland en de voetheuvels, ook bosranden, galerijbos en open plekken met hoge, verspreide bomen; meestal onder 1200 m. Overdag rust hij hoog in de kruin of op een dikke, horizontale tak. Jaagt 's nachts vanaf een hoge uitkijkpost op grote vliegende insecten, zoals kevers en motten, en vangt soms ook vleermuizen. Legt één ei zonder nest in een kuiltje of tegen een knoest op een hoge, dikke tak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In Mexico alleen in het oosten van Chiapas. Verder in het laagland aan de Caribische kant van Guatemala, in Belize, in het noorden van Honduras en in het oosten van Nicaragua, en aan beide kanten van Costa Rica en Panama. Buiten het gidsgebied door het noorden van Zuid-Amerika tot Bolivia en het zuidoosten van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste te vinden door in heldere, maanlichte nachten op de grommende roep te letten en dan met een lamp aan de oplichtende ogen hoog in de bomen te zoeken. Overdag zijn vaste rustplaatsen soms bekend bij lokale gidsen, zoals bij Pico Bonito in Honduras, in het laagland van Sarapiquí in Costa Rica en langs de Pipeline Road bij Gamboa in Panama. Een lamp hoort spaarzaam gebruikt te worden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gidsgebied plaatselijk vrij algemeen in grote, aaneengesloten bossen, maar gevoelig voor de kap van hoog bos en oude bomen.

Wetenschappelijke naam

Nyctibius grandis | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Caprimulgus grandis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nyctibius werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Nyctibius is Grieks, van nux, nuktos 'nacht' en bios 'leven': 'die 's nachts leeft', naar de nachtelijke leefwijze. grandis is Latijn voor 'groot': dit is de grootste reuzennachtzwaluw. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.