Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Rosse kolibrie
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores
Rosse kolibrie | Selasphorus rufus
Rufous Hummingbird | Zumbador rufo
De rosse kolibrie broedt noordelijker dan elke andere kolibrie, tot in het zuiden van Alaska, en overwintert vooral in de hooglanden en aan de Pacifische kant van Mexico. De trek verloopt in een lus: in het voorjaar langs de Pacifische kust naar het noorden, in de nazomer door de bergen naar het zuiden. Al in juli verschijnen de eerste mannetjes weer in het noorden van Mexico.
Geluid
De roep is een hard, droog tsjip, bij achtervolgingen versneld tot een ratelend tsjip-tsjip-tsjip met een geknepen zie-tsjapitie-tsjap ertussendoor. De vleugels van het volwassen mannetje maken in de vlucht een hoog, snerpend zoemen.
Opname: Peter Ward and Ken Hall — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
8–9 cm, met een rechte, vrij korte zwarte snavel. Het mannetje is grotendeels oranjebruin, met een witte borst en een metaalachtig oranjerode keel die van goud tot scharlaken oplicht; de rug is meestal geheel roestbruin, maar een deel van de mannetjes heeft groene veren op de rug. Het vrouwtje is groen van boven, met roestbruine flanken, een roestbruine staartbasis, witte toppen aan de buitenste staartpennen en meestal een kleine oranjerode vlek midden op de keel. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, met minder of geen rood op de keel.
Verwarringssoorten
Allens kolibrie Selasphorus sasin is in het veld vaak niet met zekerheid te onderscheiden. Het mannetje van die soort heeft een geheel groene rug; mannetjes van de rosse kolibrie met een groene rug zijn alleen aan de vorm van de staartpennen te scheiden, die bij allens kolibrie smaller zijn, vooral de buitenste. Vrouwtjes en jonge vogels van de twee soorten zijn in het veld niet te onderscheiden. De breedstaartkolibrie Selasphorus platycercus is groter, met een rozerode keel bij het mannetje en minder roestbruin op de flanken en de staart bij het vrouwtje. De calliopekolibrie Selasphorus calliope is kleiner en korter van staart, met weinig roestbruin aan de staartbasis.
Leefgebied
In de winter vooral in dennen-eikenbos, bosranden, open plekken en bloemrijk struweel in de hooglanden, en aan de Pacifische kant ook in droog bos en tuinen in lagere streken; op de trek ook in bloemrijke bergweiden tot boven 3000 m. Verdedigt fel een bloeiende struik of een voederfles en jaagt daar grotere kolibries weg.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Overwintert vooral in Sinaloa, Nayarit, Jalisco, Colima en Michoacán en in de hooglanden van Midden- en Zuid-Mexico tot in Oaxaca, met enkele waarnemingen tot in Guatemala en Costa Rica. In de nazomer, vanaf juli, trekt hij door de Sierra Madre Occidental in Sonora, Chihuahua en Durango; in het voorjaar trekt hij vooral langs de Pacifische kant en door Baja California noordwaarts. Broedt niet in het gidsgebied; het broedgebied ligt in het noordwesten van de Verenigde Staten, het westen van Canada en het zuiden van Alaska.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In juli en augustus bij bloeiende planten in bergweiden en aan bosranden in de Sierra Madre Occidental in Chihuahua en Durango. In de winter bij bloeiende struiken en bomen aan bosranden in de bergen van Jalisco en Nayarit.
Staat van instandhouding
Gevoelig. Tellingen in het broedgebied en het winterkwartier wijzen op een langdurige afname. Als oorzaken gelden onder meer het verlies van bloemrijke bosranden en struweel en het verschuiven van de bloeitijd van voedselplanten, waardoor die minder goed samenvalt met de trek.
Wetenschappelijke naam
Selasphorus rufus | (Gmelin, 1788)
Gmelin beschreef de soort in 1788 als Trochilus rufus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Selasphorus werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Selasphorus is Grieks, van selas 'licht, vlam' en -phoros 'dragend': 'lichtdrager', naar de vurig glanzende keel. rufus is Latijn voor 'rood, roodbruin', naar het rossige verenkleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nootka Sound, Vancouver Island, Canada.




