Alle soorten › Nieuwewereldgieren › Nieuwewereldgieren › Koningsgier
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves
Koningsgier | Sarcoramphus papa
King Vulture | Zopilote rey
De koningsgier is de grootste en meest bonte gier van de Amerikaanse tropen. Hij leeft in grote, ongestoorde bosgebieden in het laagland en zweeft er hoog boven het kronendak. Bij een karkas verdringt hij de kleinere gieren; met zijn krachtige snavel opent hij huiden die zij niet kunnen openscheuren. In het gidsgebied komt hij voor van het zuiden van Mexico tot Panama, maar in een groot deel van Mexico is hij zeldzaam geworden.
Geluid
Zonder stemorganen; vrijwel stil. Bij aas soms zacht gekras en gesis.
Opname: Arthur Monteiro Gomes — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
67–81 cm, met brede vleugels en een korte, vierkante staart. Volwassen vogels zijn roomwit met zwarte slagpennen, een zwarte staart en een grijze kraag van veren om de hals. De kale kop en hals zijn veelkleurig: oranje, rood, geel en paars, met een oranje lel op de snavel en een witte iris met een rode oogring. In vlucht van onderen witte ondervleugeldekveren en lichaam tegen zwarte slagpennen en staart. Jonge vogels zijn egaal leigrijs tot zwartachtig met een donkere kop; ze worden in vier tot vijf jaar geleidelijk wit, eerst op de buik en de ondervleugeldekveren. Zweeft op vlakke vleugels en wiebelt nauwelijks.
Verwarringssoorten
De kaalkopooievaar Mycteria americana en de jabiroe Jabiru mycteria hebben een vergelijkbaar zwart-wit vleugelpatroon, maar vliegen met uitgestoken hals en poten. De zwart-witte kuifarend Spizaetus melanoleucus heeft een witte kop, een gebandeerde staart en gebandeerde slagpennen. Jonge koningsgieren lijken op de zwarte gier Coragyps atratus, maar zijn groter, hebben bredere vleugels en missen de witte vlekken aan de vleugelpunt.
Leefgebied
Groot, aaneengesloten tropisch laaglandbos, zowel regenwoud als droogbos, galerijbos en savannes met bosjes; meestal onder 1500 m, plaatselijk hoger. Broedt in een holle boomstam, een stronk of op de bosbodem. Vindt karkassen vooral door het volgen van de kalkoengier en de kleine geelkopgier, die aas op de reuk opsporen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Aan de Golfkant van Mexico van Veracruz en Oaxaca zuidwaarts via Tabasco, Chiapas en het schiereiland Yucatán, aan de Pacifische kant plaatselijk vanaf het zuiden van Sinaloa. Verder in heel Midden-Amerika tot Panama, vooral in de grote bosgebieden van Belize, het noorden van Guatemala, de Mosquitia in Honduras en Nicaragua, het zuiden van Costa Rica en oostelijk Panama. In het noorden van zijn Mexicaanse verspreidingsgebied grotendeels verdwenen. Buiten het gidsgebied in Zuid-Amerika tot het noorden van Argentinië.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Goede plekken zijn het bos van Calakmul in Campeche, de Lacandonbossen in Chiapas, Tikal in Guatemala, het Chiquibulbos in Belize, het schiereiland Osa in Costa Rica en Darién in Panama. De vogels komen vanaf het midden van de ochtend in de thermiek omhoog; uitzichtpunten en tempeltoppen boven het kronendak geven het beste overzicht.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, maar sterk achteruitgegaan door ontbossing; in grote delen van Mexico en in dichtbevolkte delen van Midden-Amerika zeldzaam of verdwenen. Hij is afhankelijk van grote, aaneengesloten bosgebieden en komt in sterk versnipperd landschap nauwelijks voor.
Wetenschappelijke naam
Sarcoramphus papa | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Vultur Papa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sarcoramphus werd in 1805 ingevoerd door Duméril. Sarcoramphus is Grieks, van sarx, sarkos 'vlees' en rhamphos 'snavel': 'vleessnavel', naar de vlezige lellen op de snavel. papa is Laatlatijn voor 'paus', van Latijn papa 'vader, bisschop'; de naam gaat terug op Edwards (1737) en verwijst naar het statige voorkomen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname.






