Alle soorten › Hoenderachtigen › Hokko's en chachalaca's › Bruine hokko

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Eend- en hoendervogels Galloanserae

Bruine hokko | Crax rubra

Great Curassow | Hocofaisán

De bruine hokko is de grootste en zwaarste hoendervogel van het gidsgebied, een grondvogel van ongestoord laaglandbos van het oosten van Mexico tot Panama. Mannetje en vrouwtje verschillen sterk: het mannetje is zwart met een gele snavelknobbel, het vrouwtje roodbruin of gebandeerd. De soort leeft ook in het westen van Colombia en Ecuador.

Bruine hokko (Crax rubra)
Foto: lwolfartist — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje laat in de broedtijd een zeer laag, dreunend en buikspreekachtig gebrom horen, oemm, dat over grote afstand draagt maar nauwelijks te lokaliseren is. Daarnaast een hoog, langgerekt fluitend wiiieeh, vooral bij onrust.

Luister: ZangXC1179422

Opname: Ilias Van Hende — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

78–92 cm; een zeer grote, zware hoendervogel met een lange, brede staart en een kuif van naar voren gekrulde veren. Het mannetje is glanzend zwart met een witte onderbuik en witte onderstaartdekveren, en een felgele knobbel op de snavelbasis. Het vrouwtje komt in verschillende vormen voor. Meestal is zij roodbruin met een zwart-wit gebandeerde kop en kuif, een gebandeerde staart en een okerkleurige buik; daarnaast zijn er sterk zwart-wit gebandeerde en donkere, bijna zwarte vrouwtjes. Het vrouwtje heeft geen snavelknobbel.

Verwarrings­soorten

Het kuifsjakohoen Penelope purpurascens is slanker en olijfbruin, met witte streepjes op hals en borst, een rode keellap en een kleine kop, en leeft vooral in de bomen. De zwarte goean Chamaepetes unicolor is veel kleiner, egaal zwart met een blauw gezicht en leeft in de bergen. Tinamoes, zoals de grote tinamoe Tinamus major, lopen ook over de bosbodem, maar zijn kleiner, hebben geen kuif en een vrijwel onzichtbare staart.

Leefgebied

Groenblijvend en halfgroenblijvend laaglandbos, heuvelbos en galerijbos, plaatselijk ook vochtige delen van droogbos, van zeeniveau tot ongeveer 800 m, plaatselijk hoger. Leeft alleen, in paartjes of kleine groepjes op de bosbodem, en vliegt bij gevaar of om te slapen een boom in. Eet vooral afgevallen vruchten, daarnaast zaden, bladeren en ongewervelde dieren. Het nest is een platform van takjes en bladeren in een boom.

Verspreiding en trek

In Mexico van het zuidoosten van San Luis Potosí en het zuiden van Tamaulipas via Veracruz, Oaxaca, Tabasco en Chiapas tot het schiereiland Yucatán en het eiland Cozumel. Verder in Belize, Guatemala, Honduras, Nicaragua, Costa Rica en Panama; in El Salvador vermoedelijk verdwenen. Op Cozumel leeft een kleine populatie van een eigen ondersoort (C. r. griscomi). Buiten het gidsgebied in het westen van Colombia en het westen van Ecuador.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kansen liggen in grote beschermde bossen waar niet wordt gejaagd, zoals Calakmul in Campeche, Tikal in Guatemala en Corcovado en Santa Rosa in Costa Rica. Daar lopen vogels vroeg in de ochtend soms rustig over paden en open plekken. Het lage gebrom van het mannetje is vaker te horen dan de vogel te zien is.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De soort is zeer gevoelig voor jacht en het verdwijnen van laaglandbos en is uit grote delen van het gidsgebied verdwenen. Een vogel die zo groot is en op de grond leeft, houdt het vooral in grote, goed bewaakte bosgebieden. De kleine populatie op Cozumel is bovendien kwetsbaar voor orkanen.

Wetenschappelijke naam

Crax rubra | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Crax voerde hij in datzelfde werk in. De herkomst van Crax is onzeker; mogelijk gaat de naam terug op Grieks kras 'hoofd' of kranos 'helm', naar de opvallende kuif. rubra is Latijn voor 'rood', naar het roodbruine vrouwtje (de 'Red Peruvian Hen' waarop de naam berust). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit niet vermeld (beschreven naar een afbeelding van Albin).