Alle soorten › Hoenderachtigen › Hokko's en chachalaca's › Bruine chachalaca

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Eend- en hoendervogels Galloanserae

Bruine chachalaca | Ortalis vetula

Plain Chachalaca | Chachalaca vetula

De bruine chachalaca is de meest verbreide chachalaca van het gidsgebied, een slanke, langstaartige hoendervogel van struweel, bosranden en secundair bos aan de Caribische kant, van het noordoosten van Mexico tot het noordwesten van Costa Rica. Groepen vallen vooral op door hun oorverdovende ochtendkoor, waaraan het geslacht zijn klanknaam dankt. Buiten het gidsgebied leeft de soort alleen in het uiterste zuiden van Texas.

Bruine chachalaca (Ortalis vetula)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vooral bij zonsopgang, en ook in de schemering, zingen groepen in een luid, raspend en ritmisch koor van herhaalde drieklanken, tsja-tsja-lak of ka-ka-luk, waarbij vogels elkaar beantwoorden en het geluid van groep tot groep doorgaat. Het mannetje heeft een lagere stem dan het vrouwtje. Verder schorre, krakende roepen en een zacht gekakel.

Luister: ZangXC1099278

Opname: Scott Crabtree — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

48–58 cm; een slanke hoendervogel met een kleine kop, een lange hals en een lange, brede, afgeronde staart. De bovendelen zijn egaal olijfbruin, kop en hals grijzer. De onderdelen zijn bleker, grijsachtig tot okerbruin; vogels op het schiereiland Yucatán zijn bleker en grijzer dan die in het noordoosten van Mexico. De staart is donker met een groene glans, de buitenste pennen hebben brede witachtige tot bleek okerkleurige toppen. Rond het oog zit kale grijze huid, en op de keel een kaal roze tot rood vlak, dat in de broedtijd feller is. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De witbuikchachalaca Ortalis leucogastra heeft een witte buik, een bruinere kop en witte staarttoppen, en leeft aan de Pacifische kant van Chiapas tot Nicaragua. De grijskopchachalaca Ortalis cinereiceps heeft een donkergrijze kop en roodbruine handpennen die in de vlucht opvallen; zij leeft verder naar het zuiden en oosten, van het oosten van Honduras tot Panama. Het kuifsjakohoen Penelope purpurascens is veel groter en donkerder, met witte streepjes op hals en borst en een grote rode keellap.

Leefgebied

Dicht struweel, secundair bos, bosranden, galerijbos en oeverbos, de randen van droog en vochtig bos, plantages en grote tuinen bij dorpen; van zeeniveau tot ongeveer 1000 m, plaatselijk hoger. Leeft in groepjes van enkele tot ruim tien vogels, die vooral in struiken en bomen klauteren en zelden ver vliegen. Eet vruchten, bladeren, knoppen en bloemen. Het nest is een klein platform van takjes in een struik of boom.

Verspreiding en trek

In Mexico van Nuevo León en Tamaulipas via San Luis Potosí, het oosten van Querétaro en Hidalgo, Puebla en Veracruz naar het noorden van Oaxaca, Tabasco en Chiapas, en over het hele schiereiland Yucatán (Campeche, Yucatán, Quintana Roo). Verder in Belize, Guatemala, Honduras, met een eigen ondersoort op het eiland Utila, en in Nicaragua en het noordwesten van Costa Rica, vooral in Guanacaste en rond de Golf van Nicoya. Buiten het gidsgebied alleen in het zuiden van Texas.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op het schiereiland Yucatán en in Belize vrijwel overal in struweel bij dorpen, langs wegen en bij Maya-ruïnes zoals Tikal en Calakmul. Het ochtendkoor is vaak het eerste geluid van de dag; wie het geluid volgt, ziet de vogels kort daarna in de struiken of boomkruinen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Een algemene soort die goed overweg kan met gekapt en versnipperd bos en daardoor op veel plaatsen heeft geprofiteerd van het openen van het landschap. Plaatselijk wordt er op gejaagd.

Wetenschappelijke naam

Ortalis vetula | (Wagler, 1830)

Wagler beschreef de soort in 1830 als Penelope vetula; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ortalis werd in 1786 ingevoerd door Merrem. Ortalis is Grieks voor 'kuiken, jonge hen'. vetula is Latijn voor 'oud vrouwtje', mogelijk naar de luide, kakelende roep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tampico, Tamaulipas, Mexico.