Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Amerikaanse oehoe
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves
Amerikaanse oehoe | Bubo virginianus
Great Horned Owl | Búho cornudo
De Amerikaanse oehoe is de grootste uil van het noorden van het gidsgebied en een van de wijdst verspreide roofvogels van Amerika, van Alaska tot het zuiden van Zuid-Amerika. In Mexico en het noorden van Midden-Amerika leeft hij in woestijn, droog struweel, open bos en ravijnen. Hij is een standvogel die vooral in de schemering en ’s nachts jaagt, op prooien van kevers tot konijnen, stinkdieren en andere uilen.
Geluid
Een diep, zacht gehoot van vier tot zes tonen in een vast ritme, hoe-hoehoe-hoe-hoe, dat ver draagt. Het vrouwtje roept hoger dan het mannetje en de partners roepen vaak afwisselend. Daarnaast blaffende en krijsende roepen; jongen bedelen met een schor, langgerekt gekrijs. Vooral te horen in de schemering, het meest in de winter, wanneer de paren hun territorium afbakenen.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
46–63 cm, groot en zwaar gebouwd, met lange, wijd uiteenstaande oorpluimen en grote gele ogen. De gezichtsschijf is oranjebruin tot grijs met een zwarte rand; onder de snavel ligt een witte keelvlek die bij het roepen opbolt. De bovendelen zijn grijsbruin gevlekt; de onderdelen zijn licht met dichte donkere dwarsbanden. Vogels uit de woestijnen van het noordwesten zijn bleker en grijzer dan die uit vochtiger streken. Het vrouwtje is duidelijk groter dan het mannetje.
Verwarringssoorten
De gestreepte ransuil Asio clamator is kleiner en slanker, heeft donkere lengtestrepen op de onderdelen in plaats van dwarsbanden, een lichte gezichtsschijf met een zwarte rand en bruine ogen. De grote ransuil Asio stygius is kleiner en donkerder, met dicht bij elkaar staande oorpluimen. De briluil Pulsatrix perspicillata heeft geen oorpluimen, een donkere borstband en witte ‘brillen’ rond de ogen, en leeft in vochtig laaglandbos. De schreeuwuilen (Megascops) hebben ook oorpluimen, maar zijn veel kleiner.
Leefgebied
Zeer gevarieerd: woestijn met cactussen en struiken, halfwoestijngrasland, doornstruweel, ravijnen en rotswanden, open eiken- en pijn-eikenbos en cultuurland met bosjes en bomenrijen; in het zuiden ook savanne en droog bos. Gesloten regenwoud wordt gemeden. Broedt in oude nesten van andere roofvogels en raven, op richels van rotswanden, in holle bomen en soms op gebouwen. Jaagt vanaf een zitpost op zoogdieren tot de grootte van een haas, op vogels, reptielen en grote insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Wijd verspreid in Mexico, inclusief Baja California, van de grens met de Verenigde Staten zuidwaarts over het noordelijke en centrale hoogland en de droge Pacifische helling; een aparte ondersoort leeft in het noorden van het schiereiland Yucatán en in Belize. Verder plaatselijk in de hooglanden en droge laaglanden van Guatemala, El Salvador, Honduras en Nicaragua, waar de zuidgrens van de verspreiding in Midden-Amerika ligt. In Costa Rica en Panama alleen enkele onzekere meldingen. Buiten het gidsgebied van Alaska en Canada door de Verenigde Staten, en opnieuw in Zuid-Amerika.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de schemering vaak te zien op een paal, een dode boom of de rand van een rotswand, met het silhouet van de twee oorpluimen tegen de lucht. In de woestijnen van Sonora en Baja California en in de Chihuahuawoestijn is hij in de winter na zonsondergang te horen. Overdag zit hij verscholen in een boom of in een rotsspleet; zangvogels die hem luid alarmerend omringen verraden soms de plek.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is wijd verspreid en de populatie is groot. In Midden-Amerika is hij plaatselijk schaars en wordt hij soms vervolgd of verstoord, maar hij past zich goed aan cultuurland met bomen aan.
Wetenschappelijke naam
Bubo virginianus | (Gmelin, 1788)
Gmelin beschreef de soort in 1788 als Strix virginiana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bubo werd in 1805 ingevoerd door Duméril. Bubo is het Latijnse woord voor de oehoe. virginianus is Latijn voor 'uit Virginia', naar de typelocatie. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Virginia, VS.






