Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Zuidpooljager
Zuidpooljager | Stercorarius maccormicki
South Polar Skua | Págalo polar
De zuidpooljager broedt langs de kusten van Antarctica en is daarmee de zuidelijkst broedende vogel ter wereld. In de zuidelijke winter trekt een deel van de vogels naar het noorden, tot ver in de Noord-Atlantische en Noord-Pacifische Oceaan. In het Caribisch gebied is hij een zeer zeldzame dwaalgast op open zee.
Geluid
Buiten het broedgebied vrijwel stil. Op de broedplaats krassende, nasale roepen en bij verdediging van het nest een lage, harde roep.
Opname: steve — CC BY-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
50–55 cm. Groot, gedrongen en breedvleugelig, als een zware meeuw, met een korte, wigvormige staart met nauwelijks uitstekende middelste pennen en een forse, donkere snavel. Het verenkleed is koel grijsbruin, zonder warme of roestbruine strepen. Er is een lichte vorm, met een lichte, grijzige of zandkleurige kop en onderdelen die afsteken tegen de donkere vleugels en rug, en een donkere vorm die vrijwel egaal zwartbruin is; tussenvormen komen voor. Rond de achterhals zijn soms fijne lichte streepjes te zien. In vlucht aan boven- en onderzijde een grote witte vlek aan de basis van de handpennen.
Verwarringssoorten
De middelste jager Stercorarius pomarinus is kleiner en slanker, met smallere vleugels, een langere staart en bij lichte vogels een zwarte kap en borstband; jonge middelste jagers zijn gebandeerd op stuit en onderstaart. De grote jager Stercorarius skua, uit dit gebied ook enkele keren gemeld, is warmer bruin met lichte strepen en vlekken op rug en vleugeldekveren en mist het contrast tussen lichte kop en donkere vleugels.
Leefgebied
Open oceaan, ver uit de kust, vaak achter vissersschepen en bij groepen pijlstormvogels. Leeft op zee van vis en afval en steelt voedsel van pijlstormvogels, genten en meeuwen; in het broedgebied ook van pinguïneieren en -kuikens.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Enkele gevallen zijn bekend rond de Bahama's, Cuba, Puerto Rico, Guadeloupe, Martinique, Barbados en Trinidad; van de meeste eilanden ontbreken waarnemingen. De vogels trekken in de zuidelijke winter vooral door het westelijk deel van de Atlantische Oceaan naar het noorden, voor de kust van Noord-Amerika langs, en kunnen daarbij ook Caribische wateren bereiken. Buiten het gebied broedt de soort langs de kusten van het Antarctisch continent en de nabijgelegen eilanden.
Hoe en wanneer kijken
Een kans bestaat vrijwel alleen op pelagische tochten. Een grote, donkere jager in de noordelijke zomermaanden is eerder een zuidpooljager dan een grote jager, die dan in het noorden broedt. De koele grijze tint zonder warme strepen en het contrast tussen kop en vleugels zijn de beste kenmerken; foto's helpen bij de beoordeling.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De broedpopulatie op Antarctica is klein maar stabiel, en het verspreidingsgebied is groot. In het Caribisch gebied een zeer zeldzame gast zonder vaste aanwezigheid.
Wetenschappelijke naam
Stercorarius maccormicki | Saunders, 1893
Saunders beschreef de soort in 1893 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus 'mest': het voedsel dat opgejaagde zeevogels uitbraakten werd vroeger voor uitwerpselen aangezien. maccormicki eert de Britse marinearts en natuuronderzoeker Robert McCormick (1800–1890), die met James Clark Ross naar Antarctica voer. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Possession Island, Victorialand, Antarctica.
