Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Witkeelbreedbektiran

Witkeelbreedbektiran | Platyrinchus mystaceus

White-throated Spadebill | Picochato goliblanco

De witkeelbreedbektiran is een van de kleinste tirannen van het gebied: een gedrongen vogeltje met een grote kop, een stompe staart en een brede, platte snavel. Hij leeft verborgen in de onderste laag van vochtig bos op Trinidad en Tobago en wordt meestal pas opgemerkt aan zijn roep. Het geslacht Platyrinchus, de breedbektirannen in strikte zin, is in het gebied alleen door deze soort vertegenwoordigd.

Witkeelbreedbektiran (Platyrinchus mystaceus)
Foto: Egon Fink — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een kort, scherp skwiep, vaak met tussenpozen herhaald. De zang is een hoge, dunne, iets dalende triller.

Luister: ZangXC1177512

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

9–11 cm. De bovendelen zijn olijfbruin, de kruin iets donkerder, met bij het mannetje een grotendeels verborgen gele kruinvlek die bij het vrouwtje kleiner is of ontbreekt. De kop heeft een kenmerkend patroon: lichte, geelachtig bleke teugels en oogring, een donkere streep achter het oog en een donkere halvemaan langs de oorstreek, met daartussen lichte vlakken. De keel is wit en steekt af tegen de beigeachtige tot okerkleurige borst en flanken; de buik is lichter. De snavel is zeer breed en plat, van boven donker en van onder licht. De staart is kort. De seksen zijn verder gelijk.

Verwarrings­soorten

De kortstaartdwergtiran Myiornis ecaudatus is nog kleiner, heeft een grijze kop met witte bril, een smalle snavel en leeft in de boomkronen, niet in de ondergroei. De gevlekte schoffelsnavel Todirostrum maculatum heeft een lange, platte snavel, een gele iris en een zwart gestreepte borst, en zit in open, vochtige begroeiing. De okerbuikpipratiran Mionectes oleagineus is groter, heeft een smalle snavel en geen gezichtstekening.

Leefgebied

Schaduwrijke onderlaag van vochtig en halfgroenblijvend bos, ook ouder secundair bos, op Trinidad vooral in de heuvels en bergen, op Tobago in het bos van de Main Ridge. Zit stil op een dun takje op een tot enkele meters hoogte en vliegt dan plotseling schuin omhoog om een insect van de onderkant van een blad te grissen, waarna hij op een nieuwe zitplaats landt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op Trinidad, vooral in de beboste delen van de Northern Range, en op Tobago in het bos van de Main Ridge. Elders in het gebied ontbreekt de soort. Buiten het gebied van Costa Rica en Panama door de Andes en de kustgebergten van Venezuela tot Bolivia, en in het oosten van Brazilië, Paraguay en het noordoosten van Argentinië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Tobago bekend langs de Gilpin Trace in het bos van de Main Ridge; op Trinidad in bos van de Northern Range. De scherpe roep is het beste aanknopingspunt; daarna in de ondergroei op ooghoogte zoeken naar een kleine, roerloze vogel met een licht gezicht en een witte keel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied in Midden- en Zuid-Amerika. Omdat ze gebonden is aan de onderlaag van gesloten bos, is ze gevoelig voor ontbossing en voor het openkappen van bos.

Wetenschappelijke naam

Platyrinchus mystaceus | Vieillot, 1818

Vieillot beschreef de soort in 1818 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Platyrinchus werd in 1805 ingevoerd door Desmarest, A-G. Platyrinchus is Grieks, van platus 'breed' en rhunkhos 'snavel', naar de opvallend brede, platte snavel. mystaceus is nieuw-Latijn voor 'met snor', van Grieks mustax 'snor', naar de donkere wangstreep; Azara noemde hem 'Bigotillos'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit San Ignacio Guazú, Paraguay.