Alle soorten › Zangvogels › Tityra's en becards › Jamaicaanse bekarde

Jamaicaanse bekarde | Pachyramphus niger

Jamaican Becard | Anambé jamaicano

De Jamaicaanse bekarde is de enige bekarde van de Grote Antillen en komt alleen op Jamaica voor. Het is een forse, grootkoppige boomvogel met verschillend gekleurde seksen: het mannetje is zwart, het vrouwtje roodbruin en kaneelkleurig. Hij beweegt zich traag door het gebladerte en zit vaak lang rechtop op een tak, terwijl hij de kop langzaam heen en weer draait. Het grote, bolvormige nest wordt vaak eerder gevonden dan de vogel zelf.

Jamaicaanse bekarde (Pachyramphus niger)
Foto: Cheryl Rosenfeld — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Luide, piepende roepen, onder meer een snel, wat klagend kelelelelelie-oh dat eerst stijgt en dan daalt. Verder twee schorre kweek-tonen, gevolgd door een melodieuze frase die geleidelijk oploopt en weer daalt.

Luister: ZangXC308456

Opname: Ross Gallardy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 18 cm, gedrongen, met een grote kop en een korte, dikke snavel. Het mannetje is geheel glanzend zwart; alleen in de vlucht is wit aan de vleugelbasis te zien. Het vrouwtje heeft een donkerbruine kruin, roodbruine bovendelen, kaneelkleurige wangen, keel, hals en bovenborst, en een lichtgrijze onderborst en buik. Jonge mannetjes lijken eerst op het vrouwtje en krijgen geleidelijk zwarte veren.

Verwarrings­soorten

Het mannetje kan worden verward met andere zwarte vogels van Jamaica. De Jamaicaanse troepiaal Nesopsar nigerrimus is slanker, met een lange, puntige snavel, en zoekt in epifyten in vochtig bergbos. De Antilliaanse troepiaal Quiscalus niger heeft een lichte iris en een lange, gekielde staart en leeft in open land. De kleine ani Crotophaga ani heeft een hoge, platte snavel en een lange, slappe staart; de Jamaicaanse kraai Corvus jamaicensis is veel groter. Het vrouwtje kan aan de oranjestaarttiran Myiarchus validus doen denken, die echter een grijze kop, een kuifje en een gelige buik heeft.

Leefgebied

Hoog, open bos en bosranden in de heuvels en lagere bergen, ook dichter bos, kalksteenbos, beboste weiden, koffieplantages en tuinen met grote bomen, van zeeniveau tot ongeveer 1800 m. Zoekt in de middelste en bovenste laag van de bomen naar insecten, spinnen en af en toe een hagedis, die hij al fladderend of in een korte vlucht pakt, en eet veel vruchten, vooral vijgen. Broedt van maart tot juni, soms twee keer per seizoen. Het nest is een grote, slordige bol van allerlei plantenmateriaal met een ingang aan de onderkant, die aan het uiteinde van een tak hangt; het legsel telt drie eieren.

Verspreiding en trek

Alleen op Jamaica, verspreid over het hele eiland waar bos en bomen staan, het meest in de heuvels en op middelhoogte. Na het broeden trekken de vogels naar lager gelegen gebied. Buiten Jamaica komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het grote hangende nest aan een hoge, buitenste tak wordt in het broedseizoen vaak eerder gevonden dan de vogel; de oudervogels zijn dan bij het af- en aanvliegen te volgen. Buiten het broedseizoen loont het om vijgenbomen met rijpe vruchten in de gaten te houden. De luide roep is het beste aanknopingspunt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is wijdverbreid en plaatselijk vrij algemeen, de populatie lijkt stabiel en ze verdraagt verstoord leefgebied zoals beboste weiden en tuinen.

Wetenschappelijke naam

Pachyramphus niger | (Gmelin, 1788)

Gmelin beschreef de soort in 1788 als [Lanius] niger; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pachyramphus werd in 1840 ingevoerd door Gray. Pachyramphus is Grieks, van pakhus 'dik' en rhamphos 'snavel', naar de forse, brede snavel. niger is Latijn voor 'zwart', naar het zwarte verenkleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jamaica.