Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Grijskruinleptopogon

Grijskruinleptopogon | Leptopogon superciliaris

Slaty-capped Flycatcher | Mosquerito orejinegro

De grijskruinleptopogon is een slanke, rechtop zittende tiran van de vochtige bergbossen van Midden- en Zuid-Amerika, die in het gebied alleen op Trinidad voorkomt. Hij is te herkennen aan de grijze kruin en de donkere halvemaan op de oorstreek, en heeft de gewoonte om af en toe één vleugel even boven de rug te heffen.

Grijskruinleptopogon (Leptopogon superciliaris)
Foto: Félix Uribe from Rionegro, Antioquia, Colombia — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een explosieve, nasale roep, weergegeven als pit-tsjoe of pit-tsjoe-tsjup, soms voorafgegaan door enkele korte, dalende tsjup-tonen; vooral in de vroege ochtend te horen.

Luister: ZangXC1177822

Opname: José María Loaiza B. — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm. Kruin en achterhoofd zijn leigrijs, met een smalle witte wenkbrauwstreep. Het gezicht is lichtgevlekt, met een kenmerkende zwartachtige halvemaan achter het oog op de oorstreek. Rug en stuit zijn donker olijfgroen; de donkere vleugels hebben twee lichte, beige tot okerkleurige vleugelstrepen en gelgroene randen aan de slagpennen. De keel is grijsachtig, de borst geelachtig met een olijfgrijze waas en de buik lichtgeel. De snavel is smal en donker. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De okerbuikpipratiran Mionectes oleagineus heeft een olijfgroene kop zonder grijze kruin en zonder halvemaan, en okerkleurige onderdelen. De olijfstreeppipratiran Mionectes olivaceus is gestreept op keel en borst en heeft een kleine lichte vlek achter het oog. De tirannen van het geslacht Contopus en Euler's tiran Lathrotriccus euleri missen de grijze kap en de oortekening.

Leefgebied

Vochtig groenblijvend bos op de hellingen en in de dalen van de bergen, ook ouder secundair bos en beschaduwde koffie- en cacaoaanplant. Zit rechtop op een zitplaats in de middelste laag van het bos en vliegt naar bladeren of takken om insecten op te pikken; volgt soms gemengde groepen kleine vogels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Trinidad een standvogel in de bossen van de Northern Range, vooral op wat grotere hoogte; niet op Tobago. Elders in het gebied ontbreekt de soort. Buiten het gebied van Costa Rica en Panama door de kustgebergten van Venezuela en langs de Andes tot Bolivia.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Trinidad het best te zoeken in het bos van de Northern Range, bijvoorbeeld rond het Asa Wright Nature Centre en langs de weg naar Blanchisseuse. De nasale roep verraadt de vogel; zittend valt de halvemaan op de oorstreek op.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied. Op Trinidad is ze beperkt tot bosgebied in de bergen en daardoor afhankelijk van het behoud van dat bos.

Wetenschappelijke naam

Leptopogon superciliaris | Tschudi, 1844

Tschudi beschreef de soort in 1844 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Leptopogon werd in 1844 ingevoerd door Cabanis. Leptopogon is Grieks, van leptos 'fijn, dun' en pōgōn 'baard', naar de fijne borstelveren bij de snavelbasis. superciliaris is nieuw-Latijn voor 'met wenkbrauw', van supercilium 'wenkbrauw', naar de lichte wenkbrauwstreep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Vitoc, Peru.