Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Tropische piewie

Tropische piewie | Contopus cinereus

Southern Tropical Pewee | Pibí tropical sureño

De tropische piewie is een kleine, grijze piewie van halfopen bosland in Midden- en Zuid-Amerika, die in het Caribisch gebied alleen op Trinidad voorkomt. De soort werd in 2022–2023 gesplitst; de vogels van Trinidad behoren tot de noordelijke tropische piewie Contopus bogotensis, terwijl Contopus cinereus in strikte zin alleen in het midden en zuiden van Zuid-Amerika leeft. Deze gids volgt de oudere, ruimere opvatting.

Tropische piewie (Contopus cinereus)
Foto: Hector Bottai — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Korte, hoge pip-noten, vaak een paar keer achter elkaar, en trillers. De ochtendzang bestaat uit een lange reeks korte, heldere fluittonen, rustig herhaald met tussenpozen van enkele seconden.

Luister: ZangXC926982

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–14 cm, klein, met een licht kuifje en een vrij korte handpenprojectie. De kruin is donker zwartgrijs en steekt af tegen de iets lichtere, grijsolijfkleurige rug. De teugel is lichtgrijs tot witachtig en er is soms een smalle, lichte oogring. Keel wit, borst grijs, buik wit tot geelachtig wit. De vleugels hebben twee vage, grijsachtige vleugelstrepen. De bovensnavel is zwart, de ondersnavel geel tot oranjeachtig. Jonge vogels zijn bruiner, met kaneelkleurige randen aan de veren.

Verwarrings­soorten

De oostelijke bospiewie Contopus virens, op Trinidad een doortrekker, is iets groter, met een donkere teugel, duidelijker vleugelstrepen en een veel langere handpenprojectie. De sparrenpiewie Contopus cooperi is veel groter, met donkere, gestreepte flanken. De eulers-tiran Lathrotriccus euleri heeft een oogring, okerkleurige vleugelstrepen en een geelachtige buik. De vinktiran Cnemotriccus fuscatus is bruiner, met een lichte wenkbrauwstreep en een langere staart.

Leefgebied

Bosranden, lichte en secundaire bossen, open plekken met verspreide bomen, cacao- en koffieplantages met schaduwbomen, tuinen en mangrove, vooral in het laagland en de lagere hellingen. Zit op een lage tot middelhoge, open tak, vliegt uit naar insecten en keert vaak naar dezelfde zitplaats terug, waarbij hij met de staart trilt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op Trinidad, waar de soort vrij algemeen is in bosranden en plantages in het laagland en de lagere delen van het Noordelijk Gebergte. Van de andere eilanden van het gebied zijn geen waarnemingen bekend. Buiten het gebied, in de ruime opvatting, van het zuiden van Mexico door Midden-Amerika en over grote delen van Zuid-Amerika tot in het noordoosten van Argentinië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Plantages en bosranden in het Noordelijk Gebergte en het laagland van Trinidad zijn kansrijk, bijvoorbeeld rond het Arima-dal. Een kleine piewie op een lage tak met lichte teugels en korte vleugels is deze soort; een piewie met donkere teugels en lange vleugels in de trektijd is eerder een oostelijke bospiewie.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort verdraagt secundair bos, plantages en tuinen en is in grote delen van haar verspreidingsgebied algemeen.

Wetenschappelijke naam

Contopus cinereus | (Spix, 1825)

Spix beschreef de soort in 1825 als Platyrhynchus cinereus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Contopus werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Contopus is Grieks, van kontos 'paal, schacht' en pous 'voet', naar de korte poten. cinereus is Latijn voor 'asgrauw', naar het grijze verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rio de Janeiro, Brazilië.