Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Jamaicapiewie

Jamaicapiewie | Contopus pallidus

Jamaican Pewee | Pibí jamaicano

De jamaicapiewie is een kleine, donkere piewie die alleen op Jamaica voorkomt. Vroeger werd hij samen met de piewies van Cuba, de Bahama's en Hispaniola tot één soort gerekend, de Grote-Antillenpiewie; tegenwoordig worden die als afzonderlijke soorten behandeld. Het is een vogel van bosranden en open plekken in het heuvel- en bergland.

Jamaicapiewie (Contopus pallidus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een opgaand wie-wie, waarbij de tweede noot luider is, en een oe-wiie-oe met een gefloten middendeel.

Luister: ZangXC426036

Opname: Nick Komar — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15 cm, klein, met een licht kuifje en een relatief brede snavel. De bovendelen zijn donker olijfgrijs, vleugels en staart donkerder. De onderdelen zijn lichter, grijsachtig met een olijfkleurige tint op de borst en een lichtere, vaak geelachtig getinte buik. De vleugelstrepen zijn vaag. De bovensnavel is donker, de ondersnavel oranje. Jonge vogels zijn grijzer van boven en lichter van onder, met een lichtere snavel.

Verwarrings­soorten

De jamaicatiran Myiarchus barbirostris is ongeveer even groot, maar heeft een gele buik, roestbruine randen aan vleugels en staart en een volledig zwarte snavel. De oranjestaarttiran Myiarchus validus is veel groter en heeft veel roestbruin. De oostelijke bospiewie Contopus virens, die als doortrekker Jamaica aandoet, is grijzer, met duidelijke witte vleugelstrepen en langere vleugels. De Jamaicaanse elenia Myiopagis cotta is groener, met een donkere kruin en een gele kruinvlek.

Leefgebied

Bosranden, open plekken en paden in vochtig bos in het heuvel- en bergland, ook in koffieplantages met schaduwbomen en in bos op kalksteen; plaatselijk tot circa 2000 m. Buiten de broedtijd zakt een deel van de vogels af naar lagere hoogten. Zit rechtop op een duidelijke, open zitplaats, vliegt uit naar insecten en trilt na het landen met de staart. Het nest is een kommetje van fijne plantenvezels in een boomvork; gebroed wordt van april tot juni.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen op Jamaica, verspreid door de heuvelachtige en bergachtige delen van het eiland, onder meer in de Blue Mountains, de John Crow Mountains en Cockpit Country. Buiten Jamaica komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meest kansrijk langs bergwegen en bospaden in de Blue Mountains, zoals bij Hardwar Gap, waar vogels op takken langs open plekken in het bos zitten. Een kleine, donkere tiran met een oranje ondersnavel die na elke uitval naar dezelfde zitplaats terugkeert, is vrijwel zeker deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar de populatie lijkt af te nemen door het verdwijnen en versnipperen van bos op Jamaica.

Wetenschappelijke naam

Contopus pallidus | (Gosse, 1847)

Gosse beschreef de soort in 1847 als Myiobius pallidus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Contopus werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Contopus is Grieks, van kontos 'paal, schacht' en pous 'voet', naar de korte poten. pallidus is Latijn voor 'bleek', naar het vrij flets gekleurde verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jamaica.