Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Westelijke bospiewie
Westelijke bospiewie | Contopus sordidulus
Western Wood Pewee | Pibí occidental
De westelijke bospiewie broedt in open bos in het westen van Noord-Amerika en in de hooglanden van Mexico en Midden-Amerika en overwintert in het noordwesten van Zuid-Amerika. Zijn trekroute loopt ver ten westen van het Caribisch gebied, waar hij een zeer zeldzame dwaalgast is. Omdat hij in het veld sterk op de oostelijke bospiewie lijkt, berusten zekere gevallen vrijwel alleen op de roep.
Geluid
De roep is een schor, dalend pieer, duidelijk ruwer dan de heldere, gefloten pie-a-wie van de oostelijke bospiewie. Daarnaast korte, droge tsjip-noten.
Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
14–16 cm, slank, met lange, spitse vleugels, een licht kuifje en een vrij lange staart. De bovendelen zijn donker grijsolijf. De borst en flanken zijn egaal donkergrijs, als een vest dat in het midden nauwelijks open is; keel en buik zijn lichter, de buik vaak met een vage gele tint. De vleugels hebben twee grijsachtige vleugelstrepen. De ondersnavel is meestal grotendeels donker, met alleen aan de basis wat geel of oranje. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De oostelijke bospiewie Contopus virens lijkt sterk, maar is gemiddeld iets groener van boven, lichter op de borst, met contrastrijkere vleugelstrepen en meestal een grotendeels oranje ondersnavel; deze kenmerken overlappen en zijn alleen bij goed zicht bruikbaar. De sparrenpiewie Contopus cooperi is groter en korterstaartig, met een scherp afgetekende witte middenbaan op de borst. Empidonax-soorten zijn kleiner, met een oogring en kortere vleugels, en wippen met de staart.
Leefgebied
Op de trek bosranden, open loofbos, kustbos en bomenrijen. Zit op een open tak in de middelste of hogere laag, vliegt uit naar vliegende insecten en keert vaak naar dezelfde zitplaats terug. In het broedgebied open naald- en loofbos, oeverbos en parken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Op Cuba enkele meldingen, met name in de trektijd; uit de rest van het gebied zijn vrijwel geen gedocumenteerde waarnemingen bekend. Broedt van Alaska en het westen van Canada door het westen van de Verenigde Staten tot in de hooglanden van Mexico en Midden-Amerika en overwintert van Panama tot in de Andes van Peru en Bolivia.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Iedere piewie die in het gebied een schor, dalend pieer laat horen, verdient een geluidsopname; zonder roep is een westelijke bospiewie hier niet met zekerheid vast te stellen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is in het broedgebied algemeen, maar is in delen daarvan de laatste decennia achteruitgegaan.
Wetenschappelijke naam
Contopus sordidulus | Sclater, 1859
Sclater beschreef de soort in 1859 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Contopus werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Contopus is Grieks, van kontos 'paal, schacht' en pous 'voet', naar de korte poten. sordidulus is Latijn, verkleinvorm van sordidus 'vuil, smoezelig', naar het doffe grijsbruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Orizaba, Veracruz, Mexico.


