Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Suikerdiefje

Suikerdiefje | Coereba flaveola

Bananaquit | Reinita común

Het suikerdiefje is een van de algemeenste en meest zichtbare vogels van het Caribisch gebied. Het is klein, druk en weinig schuw, en bezoekt bloemen, vruchten en suikerpotjes op terrassen en in tuinen. De soort telt tientallen ondersoorten; genetisch onderzoek onderscheidt drie groepen, waarvan de Bahamaanse en de Zuid-Amerikaans-Kleine-Antilliaanse als mogelijke aparte soorten zijn voorgesteld.

Suikerdiefje (Coereba flaveola)
Foto: JeffreyGammon — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een hoog, dun en gonzend reeksje sissende en piepende tonen, bijvoorbeeld tsie-tsie-tsieeee-tsjie, dat per eiland verschilt en de hele dag door klinkt. De roep is een kort, scherp tsip.

Luister: ZangXC1175589

Opname: José María Loaiza B. — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–13 cm, met een korte staart en een dunne, naar beneden gebogen, spitse snavel. Bovendelen en kop zijn zwartachtig tot donker leigrijs, met een kenmerkende witte wenkbrauwstreep. De keel is grijs, op de Bahama's wit. Borst, buik en stuit zijn geel, en aan de basis van de handpennen zit een kleine witte vlek. In de mondhoek is vaak een roze of rode vlek te zien. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer en olijfgrijzer, met een gelige wenkbrauwstreep en keel. Op Grenada en Sint-Vincent komt naast de gewone vorm een donkere vorm voor die vrijwel geheel roetzwart is.

Verwarrings­soorten

De combinatie van witte wenkbrauw, gele borst en gebogen snavel is in het gebied uniek. De brilparulazanger Setophaga americana heeft een blauwgrijze rug, witte vleugelstrepen en een rechte snavel; de magnoliazanger Setophaga magnolia heeft gestreepte flanken en een witte staartband. De donkere vorm lijkt op een mannetje van het Antillendikbekje Loxigilla noctis of de Sint-Luciagrondvink Melanospiza richardsoni, maar die hebben een korte, kegelvormige zaadeterssnavel.

Leefgebied

Bijna overal waar bloemen bloeien: tuinen, parken, hotelterreinen, droog struweel, kustbos, mangrove, plantages en bosranden, van zeeniveau tot in de bergen; in gesloten bos vooral langs randen en open plekken. Het eet nectar, vruchten, kleine insecten en spinnen. Het kan niet stilhangen en zit dus altijd op een tak bij de bloem; vaak prikt het de bloembodem van opzij aan en steelt zo nectar zonder te bestuiven. Het nest is een bolvormig bouwsel met een ingang aan de zijkant; daarnaast worden aparte slaapnesten gebouwd. Broedt vrijwel het hele jaar.

Verspreiding en trek

Standvogel op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Maagdeneilanden, alle eilanden van de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago. Op Cuba ontbreekt de soort als gewone broedvogel en is ze een zeldzame gast; vogels van de Bahama's bereiken ook af en toe Florida. Buiten het gebied van het zuiden van Mexico door Midden-Amerika tot in het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vrijwel overal aanwezig; een suikerpotje of een bloeiende struik bij een hotel of strandbar trekt binnen korte tijd vogels aan. Op Grenada en Sint-Vincent loont het om in groepjes te letten op de donkere vorm. Op Cuba is elke waarneming het noteren waard.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is op de meeste eilanden zeer algemeen en profiteert van tuinen, bloeiende sierplanten en voerplaatsen.

Wetenschappelijke naam

Coereba flaveola | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Certhia flaveola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Coereba werd in 1809 ingevoerd door Vieillot. De herkomst van Coereba is onzeker; mogelijk van een Tupí-naam (guirá) voor een klein zwart-geel vogeltje. flaveola is een verkleinwoord van het Latijnse flavus 'goudgeel', naar de gele borst en stuit. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Jamaica.