Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Geelbuikdikbekje
Geelbuikdikbekje | Sporophila nigricollis
Yellow-bellied Seedeater | Semillero ventriamarillo
Het geelbuikdikbekje is een van de meest verbreide dikbekjes van Midden- en Zuid-Amerika, een vogel van grasland, braakland en ruige weiden. In het Caribisch gebied is het standvogel op Trinidad en in het zuiden van de Kleine Antillen op Grenada en Carriacou.
Geluid
De zang is een korte, muzikale reeks overgaande fluittonen, vaak eindigend op een hogere, beklemtoonde toon. Roepjes zijn droge tsjip-tonen.
Opname: Marco Andrés Urvina Alejandro — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
9–10 cm, klein, met een korte, dikke snavel die bij het mannetje blauwgrijs is. Het mannetje heeft een zwarte kop en keel, scherp afgezet tegen de lichtgele borst en buik; de bovendelen zijn dof olijf, bij sommige vogels grijzer. Het vrouwtje is warm geelbruin, van onder iets lichter met een bleke buik, en heeft een zwartachtige snavel.
Verwarringssoorten
Het mannetje is in het gebied met geen ander dikbekje te verwarren: Lessons dikbekje Sporophila bouvronides is zwart-wit met een witte wangvlek, de zwartkopzaadkraker Sporophila angolensis veel zwaarder met een kastanjebruine buik. Het mannetje van de maskergrondvink Melanospiza bicolor heeft eveneens een zwarte kop, maar ook een zwartachtige buik en een spitsere snavel. Vrouwtjes lijken sterk op die van andere dikbekjes; dat van de maskergrondvink is grijzer olijf met een spitsere snavel.
Leefgebied
Open grasland, braakliggende akkers, ruige oude weiden, open plekken in bos en soms bosranden; ook langs wegen en aan de rand van dorpen met zaadrijke grassen. Eet graszaden, buiten de broedtijd vaak in groepjes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op Trinidad, Grenada en Carriacou. Van Tobago niet met zekerheid bekend. Verder van Costa Rica en Panama door vrijwel heel Zuid-Amerika, behalve Chili en Uruguay; uit Argentinië alleen als dwaalgast.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In ruig grasland en braakland op Trinidad, en op Grenada en Carriacou in weiden en wegbermen met hoog gras. Zingende mannetjes zitten boven in een grashalm of struik, waar de zwarte kap en de gele buik zichtbaar zijn.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Een algemene soort die profiteert van ontbossing en verruigd cultuurland.
Wetenschappelijke naam
Sporophila nigricollis | (Vieillot, 1823)
Vieillot beschreef de soort in 1823 als Pyrrhula nigricollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sporophila werd in 1844 ingevoerd door Cabanis. Sporophila is Grieks, van sporos 'zaad' en philos 'liefhebber': 'zaadliefhebber'. nigricollis is Latijn, van niger 'zwart' en collum 'hals', naar de zwarte kop en keel van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Brazilië.



