Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Grote cubavink
Grote cubavink | Tiaris olivaceus
Yellow-faced Grassquit | Tomeguín de la tierra
Dit kleine grondvinkje is op de Grote Antillen een van de gewoonste vogels van bermen, weilanden en verwaarloosde tuinen. Ondanks de naam is het geen Cubaanse endeem: de soort komt ook voor van Mexico tot in Colombia en Venezuela. Op Cuba heet ze tomeguín de la tierra. Vogels zijn vaak in losse groepjes te zien, samen met andere zaadeters.
Geluid
Een zwakke, zoemende triller als roep. De zang is een korte reeks hoge, dunne, snelle trillers, bijvoorbeeld tsi-tsi-tsitsitsi, die zacht klinkt en vaak alleen van dichtbij te horen is. Mannetjes zingen soms in een struik met trillende vleugels voor het vrouwtje.
Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
10–11 cm, met een korte, kegelvormige, donkere snavel. Het mannetje is olijfgroen op de bovendelen en grijsolijf op de buik, met een zwart gezicht en een zwarte borst. Een heldergele wenkbrauwstreep, een gele keel en een gele vlek onder het oog vormen samen een duidelijk geel gezichtsmasker. Het vrouwtje is dof olijfgroen boven en lichter grijs onder, met een zwakke, soms nauwelijks zichtbare gele tekening rond oog en keel. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn grauwer.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de kleine cubavink Phonipara canora (alleen op Cuba) heeft een zwart gezicht omzoomd door een gele halvemaan die van achter het oog naar de keel loopt, zonder gele wenkbrauw. De maskergrondvink Melanospiza bicolor mist alle geel; het vrouwtje daarvan is bruiner en grijzer dan een vrouwtje van deze soort, zonder gele zweem in het gezicht. Op Jamaica heeft de jamaicagrondvink Loxipasser anoxanthus gele schouders en een geelachtige onderstaart.
Leefgebied
Halfopen terrein met grassen en kruiden: bermen, weilanden, braakliggende akkers, rietsuikerranden, verwilderde tuinen, bosranden en open plekken in het bergland, van het laagland tot hoog in de bergen. Droge, kale graslanden worden gemeden. Het eet vooral graszaden, die van de aren geplukt of van de grond geraapt worden, en verder bessen en wat insecten. Het nest is een min of meer bolvormig bouwsel met een ingang aan de zijkant, meestal laag in gras of een struikje. Het legsel telt meestal twee of drie eieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op Cuba en Isla de la Juventud, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek) en Puerto Rico met omliggende eilandjes. Op de Bahama's en de Kleine Antillen alleen enkele losse waarnemingen. Buiten het gebied van het oosten van Mexico door Midden-Amerika tot in het noorden van Colombia en het westen van Venezuela.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Jamaica, Hispaniola en Puerto Rico in vrijwel elke grazige berm of tuin met zaaddragend gras; op Cuba vooral in het bergland en langs akkerranden. Groepjes grondvinken zijn het nalopen waard op mannetjes met een geel masker; op Cuba is het verschil met de kleine cubavink het belangrijkste punt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is wijdverbreid en algemeen en profiteert van bermen, weilanden en ander door de mens geopend terrein.
Wetenschappelijke naam
Tiaris olivaceus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Emberiza olivacea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tiaris werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Tiaris is Grieks, van tiaris of tiara 'tiara, hoofdtooi', naar de gekleurde tekening op de kop. olivaceus is Nieuwlatijn voor 'olijfgroen', naar de olijfgroene bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hispaniola.






