Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Roodhalsduif
Roodhalsduif | Patagioenas squamosa
Scaly-naped Pigeon | Paloma turca
De roodhalsduif is een grote, donkere duif die op bijna alle eilanden van de Antillen voorkomt, van Cuba tot Grenada en de ABC-eilanden. Van dichtbij valt de purperrode kop en hals op, met een fijn geschubde nek. Hij leeft in bos van zeeniveau tot in de bergen, maar komt ook in tuinen en stadsparken. Op Puerto Rico, waar hij paloma turca heet, is hij een van de meest geziene vogels.
Geluid
Een diep, nadrukkelijk koeren in een reeks, ongeveer woe-koe-oe, woe-koe-oe, woe-woe-koe-oe, vaak lang volgehouden vanuit een hoge boom. Bij het opvliegen klappen de vleugels luid.
Opname: Terry Davis — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
36–40 cm, een grote, zwaar gebouwde duif. Het lichaam is leigrijs, de slagpennen en de staart zijn donkerder. Kop, hals en bovenborst zijn wijnrood tot purperrood; op de achterhals vormen de veren met hun donkere randen en glans een geschubd patroon. De naakte huid rond het oog is rood bij het mannetje en geler bij het vrouwtje; het oog is oranje. De snavel is rood aan de basis met een lichte punt, de poten zijn rood. In de vlucht lijkt de vogel geheel donker, zonder wit in vleugel of staart. Jonge vogels zijn bruiner en doffer, met een minder duidelijk geschubde nek.
Verwarringssoorten
De witkapduif Patagioenas leucocephala is donkerder, bijna zwart, met een witte kruin. De wijnrode duif Patagioenas inornata is lichter grijs en roodbruin, met een witte rand langs de vleugel en zonder geschubde nek. De rotsduif Columba livia heeft een lichte stuit en zwarte vleugelbanden. Op de ABC-eilanden is de naaktoogduif Patagioenas corensis lichter, met een witte vleugelvlek en een grote naakte huid rond het oog; op Tobago is de rosse duif P. cayennensis kleiner en wijnrood, met een blauwgrijze stuit.
Leefgebied
Vrijwel alle bostypen, van droog loofbos en halfgroen bos in het laagland tot bergregenwoud en nevelwoud, en daarnaast koffieplantages, tuinen, parken en dorpen met hoge bomen. Leeft vooral in de kruinlaag, maar komt ook op de grond. Eet vruchten, bessen, zaden en knoppen en trekt plaatselijk naar bomen die vrucht dragen. Het nest is een takkenplatform in een boom, met een of twee eieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Op Cuba, het talrijkst in het oosten, op Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico en de Maagdeneilanden, en over de hele Kleine Antillen van Anguilla en Sint Maarten tot Grenada en Barbados. Verder op Curaçao en Bonaire; op Aruba zeldzaam. Van de Bahama's zijn waarnemingen bekend, maar hij is daar zeldzaam. Op Tobago verscheen hij na een zware orkaan in 2004 en breidt hij zich in het noordoosten uit. Op Jamaica, de Kaaimaneilanden en San Andrés ontbreekt hij. Daarbuiten alleen op enkele eilanden voor de kust van Venezuela.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Puerto Rico en in de Kleine Antillen te zien op elektriciteitsdraden, in hoge bomen bij huizen en in het bos, waar het diepe koeren veel te horen is. Een groep die laag over het bos vliegt, is herkenbaar aan het donkere, zware silhouet.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Op veel eilanden algemeen, maar op meerdere eilanden zwaar bejaagd, onder meer op Puerto Rico. Orkanen kunnen de aantallen tijdelijk sterk doen dalen, doordat ze bomen en vruchten vernietigen.
Wetenschappelijke naam
Patagioenas squamosa | (Bonnaterre, 1792)
Bonnaterre beschreef de soort in 1792 als Columba Squamosa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Patagioenas werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Patagioenas is Grieks, van patageō 'klepperen' en oinas 'duif', naar het klapperende vleugelgeluid bij het opvliegen. squamosa is Latijn voor 'geschubd', naar de geschubde tekening op de hals. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Guadeloupe.





