Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Geschubde duif

Geschubde duif | Patagioenas speciosa

Scaled Pigeon | Paloma escamosa

De geschubde duif is een grote, roodbruine bosduif met een geschubde hals en borst en een felrode snavel met witte punt. Hij komt van Mexico tot Argentinië voor, maar binnen het Caribisch gebied alleen op Trinidad, vooral in de bossen van de Northern Range. Op Tobago ontbreekt hij. Het is een vogel van de boomkruinen, die zelden op de grond komt en meestal pas opvalt als hij over het bos vliegt.

Geschubde duif (Patagioenas speciosa)
Foto: TonyCastro — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, krachtig koeren in een herhaalde reeks, ongeveer kroe koek-koek, duidelijk anders dan de roepen van verwante duiven. Vaak vanuit een hoge boomkruin en vooral 's ochtends te horen.

Luister: ZangXC1155721

Opname: Jacob Wijpkema — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

28–34 cm. Het mannetje is op rug en vleugeldekveren kastanjebruin met een purperen glans; kop en kruin zijn purperbruin. Hals, borst en bovenrug zijn sterk geschubd: de veren zijn licht, met donkere, purperen tot groenglanzende randen, wat een fijn schubbenpatroon geeft. De buik is lichter en eveneens geschubd, de onderstaartdekveren zijn wit. Slagpennen en staart zijn donkerbruin. De snavel is rood met een witte punt, het oog donker met een rode oogring, de poten koraalrood. Het vrouwtje is doffer en bruiner, met een minder scherp schubbenpatroon; jonge vogels zijn egaler bruin.

Verwarrings­soorten

De rosse duif Patagioenas cayennensis is egaal wijnrood zonder schubben, met een zwarte snavel en een blauwgrijze stuit. De rotsduif Columba livia is grijs met zwarte vleugelbanden en leeft in en rond bebouwing. De Leptotila-duiven, Verreaux' duif Leptotila verreauxi en de grijskruinduif L. rufaxilla, zijn kleiner, egaal bruin met een lichte buik en lopen vooral over de bosbodem.

Leefgebied

Vochtig bos in het laagland en in de heuvels en bergen: bosranden, open bos en hoge bomen in halfopen land. Leeft vooral in de kruinlaag en daalt zelden af naar de grond; trekt overdag ook over open land met verspreide bomen. Eet vooral vruchten en bessen. Het nest is een dun takkenplatform 1–18 m boven de grond, met meestal één ei.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Trinidad, het talrijkst in de Northern Range; op Tobago ontbreekt de soort. Van de andere eilanden in het gebied zijn geen waarnemingen bekend. Daarbuiten van het zuiden van Mexico via Midden-Amerika tot in het westen van Ecuador, en oostelijk van de Andes over een groot deel van tropisch Zuid-Amerika tot in het zuiden van Brazilië en het noordoosten van Argentinië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Trinidad het best te zien vanaf een uitkijkpunt boven het bos in de Northern Range, waar de vogels in de ochtend over de kruinen vliegen of in een kale boomtop zitten. De rode snavel met witte punt is in de telescoop een goed kenmerk.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, met een groot areaal. Op Trinidad wordt op de soort gejaagd en heeft hij te lijden van bosverlies, maar hij is in de beboste delen van de Northern Range nog geregeld te zien.

Wetenschappelijke naam

Patagioenas speciosa | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Columba speciosa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Patagioenas werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Patagioenas is Grieks, van patageō 'klepperen' en oinas 'duif', naar het klapperende vleugelgeluid bij het opvliegen. speciosa is Latijn voor 'fraai, prachtig', naar het geschubde, glanzende verenkleed van hals en borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.