Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Perzikkopagapornis

Perzikkopagapornis | Agapornis roseicollis

Rosy-faced Lovebird | Inseparable de Namibia

De perzikkopagapornis is een kleine, gedrongen papegaai uit het zuidwesten van Afrika en een van de meest gehouden kooivogels ter wereld. In het Caribisch gebied gaat het om ontsnapte vogels: op verschillende eilanden zijn losse vogels en kleine groepjes gezien, maar een gevestigde populatie is niet bekend.

Perzikkopagapornis (Agapornis roseicollis)
Foto: Alastair Rae from London, United Kingdom — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, scherp en herhaald tsjiek, vooral in de vlucht; groepjes kwetteren aanhoudend.

Luister: VluchtroepXC1101865

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

17–18 cm, met een korte, afgeronde staart. Het wilde type is groen, met een helderblauwe stuit. Voorhoofd en wenkbrauw zijn dieproze tot rood, wangen en keel lichter roze. De snavel is hoornkleurig. De staart heeft aan de basis rode en zwarte banden, die alleen bij gespreide staart te zien zijn. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben een bleker roze gezicht, een groenige voorkruin en een donkere snavelbasis. Ontsnapte vogels zijn vaak kweekvormen in geel, blauw, grijs of bont, of hybriden met andere agapornissen.

Verwarrings­soorten

De groene muspapegaai Forpus passerinus, inheems op Trinidad en ingevoerd op Jamaica en Curaçao, is kleiner en geheel groen, zonder roze gezicht; het mannetje heeft blauw in de vleugel. Andere ontsnapte agapornissen, zoals Fischers agapornis Agapornis fischeri en de zwartmaskeragapornis A. personatus, hebben een rode snavel en een witte ring rond het oog. De parkieten in het gebied hebben een lange, spitse staart.

Leefgebied

In het Caribisch gebied vooral in tuinen, parken en woonwijken, en bij voedertafels. In het oorspronkelijke gebied droog, open land met verspreide bomen, halfwoestijn en berghellingen tot ongeveer 1600 m, altijd binnen bereik van water. Eet zaden, vooral van grassen, en vruchten en knoppen. Broedt in holten, in Afrika vaak in de gemeenschappelijke nesten van wevers of in rotsspleten; het vrouwtje vervoert nestmateriaal tussen de veren van de stuit.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Losse vogels en kleine groepjes zijn waargenomen op de Bahama's, Cuba, de Dominicaanse Republiek, Puerto Rico, Guadeloupe, Curaçao en Aruba, en incidenteel op enkele andere eilanden. Het gaat om ontsnapte kooivogels; voortplanting in het wild is in het gebied niet bevestigd, ook niet op Puerto Rico. Van nature in het zuidwesten van Afrika, van het zuidwesten van Angola door Namibië tot het dal van de Oranjerivier in Zuid-Afrika. Verwilderde populaties leven onder meer rond Phoenix in Arizona en op Hawaï.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Losse vogels worden meestal in tuinen of bij voedertafels gezien. Het wilde type is te herkennen aan het groene kleed met blauwe stuit en roze gezicht; kweekvormen en hybriden wijken hier in kleur van af.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd; de vangst voor de handel is in het oorspronkelijke gebied gecompenseerd door de aanleg van waterpunten en gebouwen met nestgelegenheid. In het Caribisch gebied een exoot zonder bekende gevestigde populatie.

Wetenschappelijke naam

Agapornis roseicollis | (Vieillot, 1818)

Vieillot beschreef de soort in 1818 als Psittacus roseicollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Agapornis werd in 1836 ingevoerd door Selby. Agapornis komt van het Griekse agapē, 'liefde', en ornis, 'vogel' — naar de innige band tussen de partners van een paar. roseicollis is Latijn voor 'met rozerode hals', van roseus, 'rozerood', en collum, 'hals'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit binnenland van de Kaap, Zuid-Afrika.