Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Langstaarttroepiaal

Langstaarttroepiaal | Quiscalus mexicanus

Great-tailed Grackle | Zanate mexicano

De langstaarttroepiaal is een van de snelst uitbreidende vogels van de Amerika's. Vanuit Mexico en Midden-Amerika heeft hij zich over de Verenigde Staten en het noorden van Zuid-Amerika verspreid, en in de laatste twintig jaar ook over een reeks Caribische eilanden. In deze gids staat hij als exoot: op de meeste eilanden is hij pas kort aanwezig, en of de vogels op eigen kracht of met schepen kwamen, is niet overal duidelijk.

Langstaarttroepiaal (Quiscalus mexicanus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zeer gevarieerd: heldere, oplopende fluittonen, harde klakken tsjak, knarsende geluiden als van een roestig scharnier en ratelende reeksen. Mannetjes zingen met opgezet verenkleed en omhooggestoken snavel.

Luister: ZangXC1101340

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

33–46 cm; mannetjes zijn veel groter dan vrouwtjes. Lange, zware, spitse snavel, een vrij platte kruin en een zeer lange, kielvormige staart, bij het mannetje bijna zo lang als het lichaam en in een V gehouden. Het mannetje is glanzend zwart met een paarsblauwe glans. Het vrouwtje is bruin, met een lichte keel en wenkbrauwstreep, een okerbruine borst en donkerder vleugels en staart. Volwassen vogels hebben een heldergele iris; jonge vogels hebben een donkere iris en lijken op het vrouwtje, met vage streping op de borst.

Verwarrings­soorten

De Antilliaanse troepiaal Quiscalus niger en de Caribische troepiaal Quiscalus lugubris hebben ook een gele iris en een kielvormige staart, maar zijn veel kleiner (25–30 cm), met een kortere staart; vrouwtjes van de Antilliaanse troepiaal zijn zwart, niet bruin. De bootstaarttroepiaal Quiscalus major heeft een rondere kop en, in Florida en de Bahama's, een donkere iris. De grote koevogel Molothrus oryzivorus heeft een kleine kop, een kortere staart en een rood oog.

Leefgebied

Steden, dorpen, havens, luchthavens, parken, weilanden en de oevers van meren, vijvers en mangroves. Eet vrijwel alles, van insecten, kleine dieren en eieren tot zaden, vruchten en afval. Broedt in kolonies in bomen, palmen en riet, vaak bij water. Overnacht in grote groepen in bomen in stadscentra.

Verspreiding en trek

San Andrés: aanwezig sinds ten minste de jaren zestig en sinds 2015 sterk toegenomen. Jamaica: voor het eerst in 2005 waargenomen en sindsdien over het eiland verspreid. Hispaniola: sinds 2009 gemeld, vooral in de provincie San Cristóbal in de Dominicaanse Republiek. Puerto Rico: sinds 2015 bij Cataño en Arecibo. Aruba en Curaçao: sinds ongeveer 2014 jaarlijks en in toenemende aantallen. Losse waarnemingen in Havana op Cuba en op Trinidad. Van nature van het zuidwesten van de Verenigde Staten via Mexico en Midden-Amerika tot in het noordwesten van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste in havens, op boulevards en in stadsparken op de eilanden waar hij gevestigd is. Het mannetje is te herkennen aan het formaat en de lange staart; bij vrouwtjes onderscheidt de bruine kleur met lichte keel hen van de inheemse troepialen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In zijn verspreidingsgebied algemeen en in uitbreiding, mede dankzij landbouw, irrigatie en bebouwing. Op de Caribische eilanden is nog onduidelijk welke invloed de soort heeft op de inheemse troepialen en op andere vogels, waarvan hij eieren en jongen kan eten.

Wetenschappelijke naam

Quiscalus mexicanus | (Gmelin, 1788)

Gmelin beschreef de soort in 1788 als C[orvus] mexicanus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Quiscalus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Quiscalus gaat terug op Linnaeus' soortnaam Gracula quiscula; waar hij het woord vandaan had is onzeker, mogelijk van het Taíno quisqueya, een naam voor Hispaniola. mexicanus betekent 'van Mexico', naar de herkomst van het typeexemplaar. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit omgeving van Veracruz, Mexico.