Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Blauwkopkwartelduif

Blauwkopkwartelduif | Starnoenas cyanocephala

Blue-headed Quail-Dove | Paloma perdiz cubana

De blauwkopkwartelduif is een gedrongen bosduif die alleen op Cuba voorkomt en de enige soort is in het geslacht Starnoenas. Met zijn helderblauwe kruin, zwart-witte gezichtstekening en zwarte, wit omrande bef is het een van de meest gezochte endemen van het eiland. Hij leeft op de bosbodem, loopt met knikkende kop door het bladstrooisel en is schuw. Op Cuba heet hij paloma perdiz, 'patrijsduif'.

Blauwkopkwartelduif (Starnoenas cyanocephala)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een laag, hol, oplopend hoeoe-oep, met tussenpozen herhaald en vaak het eerste teken van de aanwezigheid van de soort. Bij het opvliegen klapperen de vleugels luid, en de vlucht is snel en laag tussen de stammen door.

Luister: ZangXC410108

Opname: Julia Wittmann — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

30–33 cm, groot voor een kwartelduif, met een rond lichaam, een korte staart en vrij lange poten. Kop en lichaam zijn overwegend kaneel- tot chocoladebruin. De kruin is helder blauw. Door het oog loopt een zwarte streep, en daaronder loopt een brede witte streep van de kin naar de achterkant van de kop. De keel draagt een zwarte bef, smal wit omrand en aan de randen blauw gevlekt. De onderdelen zijn warm bruin, de vleugels en staart egaal bruin. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een minder scherpe kopkleur.

Verwarrings­soorten

Geen andere duif op Cuba heeft een blauwe kruin en een zwarte bef. De rosse kwartelduif Geotrygon montana is kleiner en roodbruin, met een lichte streep onder het oog maar zonder blauw en zonder bef. De Cubaanse kwartelduif Geotrygon chrysia heeft eveneens een witte streep onder het oog, maar een roodbruine rug met paarse en groene glans en een lichte keel. De grijskopkwartelduif Geotrygon caniceps heeft een grijze kop en een donker, glanzend blauwpaarse rug, en ook geen bef. Bij een korte blik op een weglopende vogel is vooral de grootte en de gedrongen bouw een aanwijzing.

Leefgebied

Laaglandbos met een gesloten kronendak, een open ondergroei en een dikke laag bladstrooisel, zowel halfgroen bos als droger loofbos, en moerasbos; minder vaak in bergbos. Hij loopt, vaak in paren, over de bosbodem en zoekt daar zaden, bessen en slakken. Het nest ligt op of vlak boven de grond; het broedseizoen valt vooral tussen april en juni.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen op Cuba, verspreid en plaatselijk, met een zwaartepunt rond de Ciénaga de Zapata en in de provincie Pinar del Río. Ook in andere bosgebieden op het eiland, maar daar schaars. Buiten Cuba komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De Ciénaga de Zapata, onder meer in de bosgebieden van Soplillar en Bermejas, vroeg in de ochtend. De vogels lopen soms over een bospad of een open plek op de bosbodem en zijn dan bij stil wachten goed te zien; elders vluchten ze al lopend of met luid vleugelgeklapper zodra ze iemand opmerken. De lage, oplopende roep helpt om ze in dichter bos te lokaliseren.

Staat van instandhouding

Bedreigd (Endangered). De wereldpopulatie wordt geschat op 1000 tot 2499 vogels en neemt af. De belangrijkste bedreigingen zijn jacht en het verlies van laaglandbos; zware orkanen kunnen daarnaast grote stukken bos beschadigen. Een deel van het leefgebied ligt in beschermde gebieden zoals de Ciénaga de Zapata.

Wetenschappelijke naam

Starnoenas cyanocephala | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Columba cyanocephala; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Starnoenas werd in 1838 ingevoerd door Bonaparte. Starnoenas is waarschijnlijk Grieks, van starna 'patrijs' en oinas 'duif': 'patrijsduif', naar de gedrongen, op de grond levende vogel. cyanocephala is Grieks, van kuanos 'donkerblauw' en -kephalos '-koppig', naar de blauwe kop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Amerika (niet nader bepaald).