Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Steppekiekendief

Steppekiekendief | Circus macrourus

Pallid Harrier | Aguilucho papialbo

De steppekiekendief was tot ver in de jaren negentig een grote zeldzaamheid in West-Europa. Sindsdien schuift de soort met opvallende snelheid naar het westen op, en tegenwoordig is hij elk voorjaar en najaar in Noordwest-Europa te verwachten — vaak tussen de grauwe kiekendieven.

Steppekiekendief (Circus macrourus)
Hoofdfoto · Foto: Shiv's fotografia — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Op doortrek zwijgt hij; buiten het broedgebied zul je deze soort vrijwel nooit horen. Op de broedplaats in de steppe roept het mannetje tijdens de baltsvlucht een snel, hoog kie-kie-kie-kie, ijler en sneller dan dat van de blauwe kiekendief, en het vrouwtje bedelt met een schril, aanhoudend pieh-pieh bij de prooioverdracht.

Luister: RoepXC571877

Opname: Jan Studecky — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Van de drie grijze kiekendieven de slankste en lichtste: smalle, spitse vleugels, een klein kopje, een lange smalle staart en een vlucht die eerder zwaluwachtig dan zwevend oogt, met de vleugels in een ondiepe V. Man: bijna spierwit van onderen en zeer bleek zilvergrijs boven, met een zwarte wig die alleen op de buitenste vier handpennen zit en die als een dunne penstreep naar de vleugelpunt toeloopt — niet de brede zwarte hand van de blauwe kiekendief. De grens tussen grijs en wit op de borst is diffuus, de stuit vaal grijswit. Vrouw: bruin en gestreept, maar met een scherp getekende kop: een donker masker over de oorstreek, een smalle bleke halskraag die de hals helemaal omsluit, een lichte streep boven én onder het oog en vaak een klein wit vlekje vlak boven het oog. Onvolwassen: onmiskenbaar oranje-oker op de hele onderzijde zonder streping, met datzelfde donkere masker en die complete halskraag, en een opvallend bleek, ongebandeerd middenveld op de onderarm dat tegen een donkere achterrand afsteekt.

Verwarrings­soorten

De vergelijking met de andere twee grijze kiekendieven is het hele verhaal. Een man steppekiekendief oogt witter en spitser dan een grauwe kiekendief en mist diens zwarte armpenbalk op de bovenvleugel, de twee donkere banden op de ondervleugel en de roestbruine flankstrepen; hij mist ook het brede zwarte handdeel van de blauwe kiekendief. Tel de ingesneden handpennen: vier bij steppe en grauwe, vijf bij blauwe. Bij vrouwen en jonge vogels — de zogeheten ringtails — is de kop doorslaggevend. Een jonge steppekiekendief heeft een egaal oranjebruine onderzijde zonder streping, een compleet gesloten bleke halskraag en een donker, kapachtig masker; een jonge grauwe kiekendief is roodbruiner met fijne strepen op de flanken, een onvolledige kraag en een donkerder onderarm met twee smalle banden; een jonge blauwe kiekendief is forser, zwaarder gestreept op borst en buik en heeft een veel groter wit stuitvlak. De bleke, bijna ongetekende basis van de handpennen op de ondervleugel, scherp begrensd door een donkere achterrand, is bij de steppekiekendief het betrouwbaarste veldkenmerk op afstand.

Leefgebied

Broedt in open steppe, graslanden en extensief graanland van Oost-Europa en Centraal-Azië, waar hij op de grond nestelt tussen kruidenrijke vegetatie. Op trek en in de winterkwartieren in Afrika en op het Indiase subcontinent jaagt hij boven droge graslanden, savanne, rijstvelden en akkers. In Noordwest-Europa duiken de vogels op boven kwelders, polders, ruige akkerranden en heideterreinen, vaak in gebieden waar ook grauwe kiekendieven jagen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Kerngebied van de Pontische steppe tot de Kazachse steppe en Xinjiang; de laatste decennia een opvallende opmars naar het noordwesten, met broedgevallen in Fennoscandinavië, de Baltische streek en Midden-Europa tot in Noordwest-Europa. In Iberië een zeldzame gast, vooral in het najaar en aan de zuidkust, en daarnaast op de Canarische Eilanden, hoewel de eerste broedgevallen in Zuidwest-Europa inmiddels een feit zijn.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem waar je grauwe kiekendieven zoekt: in mei boven pas ingezaaide akkers en kwelders, en van eind augustus tot begin oktober boven open polders. Neem de tijd voor elke bleke of ongestreepte ringtail: het gaat om de kop. Kijk of de bleke halskraag helemaal rond de hals loopt en of de onderzijde egaal oranje is zonder streping — dat zijn de kenmerken die op grote afstand nog werken. Zeetrektellingen en telposten aan de kust leveren de meeste gevallen op.

Staat van instandhouding

IUCN: Gevoelig voor achteruitgang (Near Threatened). Het kerngebied in de Pontisch-Kaspische en Kazachse steppen staat onder druk door omzetting van steppe in akkerland, branden en het verdwijnen van knaagdierprooi, en de wereldpopulatie wordt op enkele tienduizenden paren geschat. Tegelijk breidt de soort zich naar het noordwesten uit — vermoedelijk als reactie op droogte en habitatverlies in het kerngebied — waardoor West-Europese vogelaars hem juist steeds vaker zien.

Wetenschappelijke naam

Circus macrourus | (Gmelin, 1770)

Gmelin beschreef de soort in 1770 als Accipiter macrourus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Circus werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Circus komt van het Griekse kirkos, een roofvogel die naar zijn cirkelende vlucht werd genoemd. macrourus is Grieks voor 'langstaartig', van makros 'lang' en -ouros '-staartig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Voronezj in zuidelijk Rusland.