Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Blauwe kiekendief
Blauwe kiekendief | Circus cyaneus
Hen Harrier | Aguilucho pálido
De blauwe kiekendief is de zwaarste en breedst gevleugelde van de drie grijze kiekendieven, en in Noordwest-Europa vooral een vogel van de winter: laag zwevend over kwelders, duinvalleien en akkers, met die typische zoekende, wiegende vlucht.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Buiten het territorium vrijwel altijd zwijgzaam; de winterse vogels op de kwelder hoor je nooit. Bij het nest en tijdens de baltsvlucht een snelle, kekkerende reeks kek-kek-kek-kek, bij het mannetje hoger en gehaaster dan bij het vrouwtje. Het vrouwtje bedelt bij de prooioverdracht met een klagend, aanhoudend psie-jew, dat vaak het eerste teken is dat er een nest in de buurt ligt.
Opname: Benoît Van Hecke — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Alles begint bij het vliegbeeld: de vleugels staan in een duidelijke, ondiepe V, de vogel wiebelt licht om de lengteas en zoekt laag en langzaam de vegetatie af. De vleugel is voor een kiekendief breed en aan de punt vrij stomp, met vijf ingesneden handpennen; de staart is lang en tamelijk breed. Man: lichtblauwgrijs op kop, borst en bovendelen, wit op buik en onderstaartdekveren, met een scherp afgesneden zwarte vleugelpunt over ongeveer de buitenste vijf handpennen — als een zwarte hand aan een grijze arm. De achterrand van de vleugel is grijs en niet donker afgezet, de stuit is wit. Vrouw: bruin, met een gebandeerde staart, een opvallend wit stuitvlak en een gestreepte onderzijde; de ondervleugel toont grove donkere banden over hand én arm. Onvolwassen: als vrouw maar warmer roestbruin op de onderdelen, met fijne streping die naar de buik toe uitdunt, en een gezicht dat minder contrast heeft dan bij de andere twee soorten.
Verwarringssoorten
De drie grijze kiekendieven zijn dé klassieke valkuil, en het verschil zit in bouw en handpenpatroon. Blauwe man is de forste, breedvleugelige soort met een stomp uiteinde en een zwarte punt die scherp begint en de vijf buitenste handpennen beslaat. Grauwe man is duidelijk slanker, met een spitse vleugel, slechts vier ingesneden handpennen, een zwarte streep dwars over de bovenvleugel (de armpenbalk), twee donkere strepen op de ondervleugel en roestbruine strepen op de flanken; zijn stuit is grijs of nauwelijks wit. Steppeman is nog bleker, bijna wit, en heeft slechts een smalle zwarte wig op de buitenste vier handpennen die als een dunne penstreep in de vleugelpunt loopt. Bij de vrouwen en jonge vogels is het patroon van kop en hals doorslaggevend: steppekiekendief heeft een donker masker met een smalle bleke halskraag die als een boa om de hals sluit, en een klein wit vlekje boven het oog; grauwe kiekendief heeft een minder complete kraag en een fijner gestreepte onderarm; blauwe kiekendief heeft de zwaarste bouw, het grootste witte stuitvlak en een minder scherp getekend gezicht. Let ook op de onderarm: bij blauwe kiekendief grof en over de hele breedte gebandeerd, bij steppekiekendief opvallend bleek met een donkere achterrand, bij grauwe kiekendief met twee smalle donkere banden.
Leefgebied
Broedt in open, boomloos land met dichte kruidenvegetatie: duinvalleien en duinheide op de Waddeneilanden, hoogveen, jonge aanplant en kapvlaktes, uitgestrekte heide en in Noord-Europa toendra en berkenzoom. Buiten het broedseizoen jaagt hij op kwelders, in rietruigtes, over graslanden en akkers en boven wintertarwe en groenbemesters. Slaapt 's winters gezamenlijk op de grond in riet of ruigte, vaak met tientallen vogels bij elkaar.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Noord- en Oost-Europa — Scandinavië en de Baltische streek — met een westelijke uitloper over de Britse Eilanden en West-Europa tot in Iberië. Langs de zuidelijke Noordzeekust is hij als broedvogel vrijwel verdwenen, op een handvol paren op de Waddeneilanden na, maar in de winter goed te zien op de kwelders langs de Noordzee, in de Delta en boven de polders. In het Middellandse Zeegebied broedt hij verspreid in de noordelijke helft van Iberië, in bergheide en op braakliggend graanland, en overwintert hij in de laagvlaktes van Extremadura en Castilië. Als wintergast verder in heel Midden- en Zuidoost-Europa, tot in Anatolië en de Levant.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga tussen november en februari in het laatste uur voor zonsondergang op een kweldersdijk of een uitkijkpunt langs een groot rietmoeras staan. Dan komen de vogels laag aanzwevend naar hun slaapplaats, en zie je in één avond geregeld zowel een grijze man als bruine vrouwen. Zoek boven akkerland naar de wiegende, lage jachtvlucht; een kiekendief die met opgeheven vleugels traag over een graanstoppel zeilt, is op honderden meters al herkenbaar.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar de Europese stand is in het westen sterk afgenomen. Langs de zuidelijke Noordzeekust is de soort als broedvogel bijna weg door verruiging en verbossing van de duinen, predatie en het verdwijnen van konijnen als prooibasis. Op de korhoenheides van de Britse Eilanden drukt illegale vervolging de stand ver onder wat het leefgebied aankan. De noordelijke en oostelijke populaties zijn stabieler; de winteraantallen in Noordwest-Europa volgen die van Scandinavië en het Baltisch gebied.
Wetenschappelijke naam
Circus cyaneus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Falco cyaneus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Circus werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Circus komt van het Griekse kirkos, een roofvogel die naar zijn cirkelende vlucht werd genoemd. cyaneus is Latijn voor 'donkerblauw', naar het blauwgrijze kleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de omgeving van Londen.





