Alle soorten › Zangvogels › Spotlijsters › Katvogel

Katvogel | Dumetella carolinensis

Gray Catbird | Pájaro gato gris

De katvogel is een effen leigrijze zangvogel met een zwarte kruin en een roodbruine onderstaart, die zich vrijwel altijd in dicht struweel ophoudt. Zijn naam komt van de roep: een gerekt, klaaglijk mjauw dat uit een bramenstruik komt terwijl de vogel zelf onzichtbaar blijft.

Katvogel (Dumetella carolinensis)
Foto: Peter Massas — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een lange, onregelmatige reeks van gorgelende, piepende en krassende noten, afgewisseld met nagebootste fragmenten van andere soorten. Anders dan de spotlijster, die elke frase drie of meer keer achter elkaar herhaalt, zingt de katvogel de meeste frases maar één keer. Hij zingt meestal verborgen in struweel, zelden vanaf een vrije zitplaats, en soms minutenlang zonder onderbreking. De roep is het kattengeluid waaraan hij zijn naam dankt, daarnaast een hard, kort tsjek.

Luister: ZangXC1141321

Opname: Scott Olmstead — CC BY-NC-SA 4.0 · Crane Pond Wildlife Management Area, Essex County, Massachusetts, United States · xeno-canto

Herkenning

Egaal leigrijs over het hele lichaam, met een scherp begrensde zwarte kruin en een lange, afgeronde zwarte staart die vaak omhoog of omlaag wordt bewogen. Onder de staart ligt een roodbruine vlek, die alleen zichtbaar wordt als de vogel de staart optilt. De snavel is smal, recht en zwart, de poten donker. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk; jonge vogels zijn iets doffer en hebben een minder duidelijke kruin.

Verwarrings­soorten

Geen andere zangvogel in het oosten van Noord-Amerika is helemaal leigrijs zonder vleugelstrepen. De spotlijster is bleker grijs, heeft witte vleugelvlekken en witte buitenste staartpennen die in de vlucht opvallen, en herhaalt zijn zangfrases. De rosse spotlijster is roestbruin met een zwaar gestreepte borst en een gele iris. Vliegenvangers van het geslacht Empidonax zijn veel kleiner, hebben vleugelstrepen en zitten rechtop op een open tak.

Leefgebied

Dicht, laag struweel: bosranden, verruigde akkers, oude boomgaarden, houtwallen, doornstruweel en bramenrijke oeverzomen, en in de stad verwilderde tuinen en parkstruweel. Hij mijdt gesloten bos en naaldbos. In de winter zoekt hij bessenrijk struweel op, vaak dicht bij water, en in Midden-Amerika en het Caraïbisch gebied ook de randen van mangrove en tropisch struweel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt in het gematigde deel van Noord-Amerika ten oosten van de Rocky Mountains, van Zuid-Brits-Columbia en de Canadese prairies tot Nova Scotia en zuidwaarts tot de Golfstaten, met losse broedplaatsen in New Mexico en Utah. De trek loopt van maart tot mei en van eind augustus tot november. Overwinterd wordt in het zuidoosten van de Verenigde Staten, langs de Mexicaanse Golfkust en de Pacifische kust van Mexico, in Midden-Amerika en op de Caraïbische eilanden. In toenemende mate blijven vogels ook in noordelijker staten zoals Ohio de winter door. Op Bermuda leeft een standpopulatie.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Het kattengeluid is het snelste houvast: loop in mei of juni langs een verruigde bosrand en wacht na het eerste mjauw — de vogel komt meestal binnen een halve minuut tot de bovenrand van het struweel. In augustus en september is een bessendragende vlierstruik of Amerikaanse vogelkers de beste plek.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek en is over haar hele areaal talrijk; het struweel van verlaten akkers en bosranden komt haar ten goede. Ze verwijdert eieren van de bruinkopkoevogel actief uit het nest, waardoor broedparasitisme nauwelijks effect heeft. Botsingen met ramen en verlichte gebouwen tijdens de trek en predatie door katten zijn de voornaamste directe sterfteoorzaken. De populatie op Bermuda is sterk afgenomen door houtkap en geïntroduceerde predatoren.

Wetenschappelijke naam

Dumetella carolinensis | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Muscicapa carolinensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het typegebied wordt in de oorspronkelijke tekst als ‘in Carolina’ aangeduid, maar wordt tegenwoordig op Virginia betrokken. De geslachtsnaam Dumetella is een verkleinvorm van het Latijnse dumetum ‘doornstruweel’, van dumus ‘doornstruik’, en betekent dus ‘kleine bewoner van het struweel’. De soortnaam carolinensis betekent ‘uit Carolina’. De Nederlandse en Engelse naam verwijzen allebei naar het miauwende roepje.