Alle soorten › Zangvogels › Spotlijsters › Katvogel
Katvogel | Dumetella carolinensis
Gray Catbird | Pájaro gato gris
De katvogel is een effen leigrijze zangvogel met een zwarte kruin en een roodbruine onderstaart, die zich vrijwel altijd in dicht struweel ophoudt. Zijn naam komt van de roep: een gerekt, klaaglijk mjauw dat uit een bramenstruik komt terwijl de vogel zelf onzichtbaar blijft.
Geluid
De zang is een lange, onregelmatige reeks van gorgelende, piepende en krassende noten, afgewisseld met nagebootste fragmenten van andere soorten. Anders dan de spotlijster, die elke frase drie of meer keer achter elkaar herhaalt, zingt de katvogel de meeste frases maar één keer. Hij zingt meestal verborgen in struweel, zelden vanaf een vrije zitplaats, en soms minutenlang zonder onderbreking. De roep is het kattengeluid waaraan hij zijn naam dankt, daarnaast een hard, kort tsjek.
Opname: Scott Olmstead — CC BY-NC-SA 4.0 · Crane Pond Wildlife Management Area, Essex County, Massachusetts, United States · xeno-canto
Herkenning
Egaal leigrijs over het hele lichaam, met een scherp begrensde zwarte kruin en een lange, afgeronde zwarte staart die vaak omhoog of omlaag wordt bewogen. Onder de staart ligt een roodbruine vlek, die alleen zichtbaar wordt als de vogel de staart optilt. De snavel is smal, recht en zwart, de poten donker. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk; jonge vogels zijn iets doffer en hebben een minder duidelijke kruin.
Verwarringssoorten
Geen andere zangvogel in het oosten van Noord-Amerika is helemaal leigrijs zonder vleugelstrepen. De spotlijster is bleker grijs, heeft witte vleugelvlekken en witte buitenste staartpennen die in de vlucht opvallen, en herhaalt zijn zangfrases. De rosse spotlijster is roestbruin met een zwaar gestreepte borst en een gele iris. Vliegenvangers van het geslacht Empidonax zijn veel kleiner, hebben vleugelstrepen en zitten rechtop op een open tak.
Leefgebied
Dicht, laag struweel: bosranden, verruigde akkers, oude boomgaarden, houtwallen, doornstruweel en bramenrijke oeverzomen, en in de stad verwilderde tuinen en parkstruweel. Hij mijdt gesloten bos en naaldbos. In de winter zoekt hij bessenrijk struweel op, vaak dicht bij water, en in Midden-Amerika en het Caraïbisch gebied ook de randen van mangrove en tropisch struweel.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt in het gematigde deel van Noord-Amerika ten oosten van de Rocky Mountains, van Zuid-Brits-Columbia en de Canadese prairies tot Nova Scotia en zuidwaarts tot de Golfstaten, met losse broedplaatsen in New Mexico en Utah. De trek loopt van maart tot mei en van eind augustus tot november. Overwinterd wordt in het zuidoosten van de Verenigde Staten, langs de Mexicaanse Golfkust en de Pacifische kust van Mexico, in Midden-Amerika en op de Caraïbische eilanden. In toenemende mate blijven vogels ook in noordelijker staten zoals Ohio de winter door. Op Bermuda leeft een standpopulatie.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Het kattengeluid is het snelste houvast: loop in mei of juni langs een verruigde bosrand en wacht na het eerste mjauw — de vogel komt meestal binnen een halve minuut tot de bovenrand van het struweel. In augustus en september is een bessendragende vlierstruik of Amerikaanse vogelkers de beste plek.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek en is over haar hele areaal talrijk; het struweel van verlaten akkers en bosranden komt haar ten goede. Ze verwijdert eieren van de bruinkopkoevogel actief uit het nest, waardoor broedparasitisme nauwelijks effect heeft. Botsingen met ramen en verlichte gebouwen tijdens de trek en predatie door katten zijn de voornaamste directe sterfteoorzaken. De populatie op Bermuda is sterk afgenomen door houtkap en geïntroduceerde predatoren.
Wetenschappelijke naam
Dumetella carolinensis | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Muscicapa carolinensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het typegebied wordt in de oorspronkelijke tekst als ‘in Carolina’ aangeduid, maar wordt tegenwoordig op Virginia betrokken. De geslachtsnaam Dumetella is een verkleinvorm van het Latijnse dumetum ‘doornstruweel’, van dumus ‘doornstruik’, en betekent dus ‘kleine bewoner van het struweel’. De soortnaam carolinensis betekent ‘uit Carolina’. De Nederlandse en Engelse naam verwijzen allebei naar het miauwende roepje.




