Alle soorten › Zangvogels › Winterkoningen › Oost-Amerikaanse winterkoning

Oost-Amerikaanse winterkoning | Troglodytes hiemalis

Winter Wren | Chochín hiemal

De Oost-Amerikaanse winterkoning is de oostelijke tegenhanger van de Pacifische winterkoning, waarvan hij pas in 2010 werd afgesplitst. Hij broedt in vochtig naaldbos van Brits-Columbia tot Newfoundland en in de Appalachen, en overwintert in het bosrijke zuidoosten van de Verenigde Staten.

Oost-Amerikaanse winterkoning (Troglodytes hiemalis)
Foto: lwolfartist — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een lange, aaneengeregen cascade van heldere trillers en hoge tikkende noten, vijf tot tien seconden lang en luid voor een vogel van negen gram. De afzonderlijke noten klinken iets voller en muzikaler dan bij de Pacifische winterkoning, met duidelijker gescheiden trillerdelen. De roep is het beste kenmerk: een dubbel, scherp tsjimp-tsjimp, in toon en ritme dicht bij de roep van de zanggors.

Luister: ZangXC1015166

Opname: Melissa Hafting — CC BY-NC-SA 4.0 · St. John's, Newfoundland and Labrador, Canada · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, bolle winterkoning met een kort staartje dat vrijwel altijd rechtop staat. De bovenzijde is warm grijsbruin met fijne donkere dwarsbandering op vleugels en staart, de onderzijde okerbruin met dwarsbandering op buik en flanken. De keel en de bovenborst zijn duidelijk bleker dan de rest van de onderzijde. Boven het oog loopt een lichte, smalle wenkbrauwstreep. De snavel is dun en recht, de poten zijn lang.

Verwarrings­soorten

De Pacifische winterkoning is donkerder en gelijkmatiger roodbruin, met een minder duidelijk afstekende keel; de twee zijn in het veld alleen aan de stem betrouwbaar te scheiden, en overlappen in een smalle zone in Alberta, Brits-Columbia en Montana. De roep beslist: enkelvoudig en hard bij de pacifische, dubbel tsjimp-tsjimp bij de oost-Amerikaanse. De huiswinterkoning is groter en langstaartiger, bleker en grijzer, met een vagere wenkbrauwstreep en zonder dwarsbandering op de buik. De carolinawinterkoning is fors, roestbruin en heeft een brede witte wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Vochtig naaldbos en gemengd bos van spar en hemlock met veel omgevallen stammen, wortelkluiten en dichte ondergroei, meestal langs beken en in ravijnen. In de Appalachen gaat hij mee tot in de hoogste sparren- en hemlockbossen. In de winter zit hij in bosonderbegroeiing, in ruigte langs kreken en in takkenhopen en houtstapels, ook in loofbos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedgebied loopt van Oost-Brits-Columbia en Alberta door de boreale gordel van Canada tot Newfoundland en de Maritieme Provincies, en zuidwaarts tot in de Grote Merenstaten en New England. Een tweede broedgebied ligt in de Appalachen, van West Virginia tot Noord-Georgië. Hij trekt over korte afstand en overwintert in het zuidoosten van de Verenigde Staten, van Texas en de Golfkust tot Florida en noordwaarts tot de Ohiovallei; kleine aantallen bereiken Noordoost-Mexico.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In mei en juni is een hemlockravijn in de Appalachen of het boreale bos van Ontario de beste plek: de zang draagt ver en houdt lang aan. In de winter zit hij vaak bij een takkenhoop of een omgevallen wortelkluit langs een beek — een korte sisreeks brengt hem meestal binnen een minuut in beeld.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek en de aantallen zijn over het geheel stabiel. Ze is gebonden aan oud, vochtig naaldbos met dood hout; kaalkap verlaagt de dichtheid sterk. In de Appalachen vormt de aantasting van hemlock door de geïntroduceerde wolluis Adelges tsugae een knelpunt, omdat de zuidelijke broedvogels juist in die bossen zitten.

Wetenschappelijke naam

Troglodytes hiemalis | Vieillot, 1819

Louis Pierre Vieillot beschreef de soort in 1819 als Troglodytes hiemalis, met Nova Scotia en New York als typegebied; Oberholser beperkte dat in 1902 tot Nova Scotia. Omdat de soort nog altijd in het oorspronkelijke geslacht staat, staan auteur en jaartal zonder haakjes. De geslachtsnaam Troglodytes is Grieks voor ‘holbewoner’, van trogle ‘hol’ en dyein ‘binnenkruipen’. De soortnaam hiemalis is Latijn voor ‘van de winter’, van hiems ‘winter’, naar het seizoen waarin de vogel in het zuiden van zijn areaal wordt aangetroffen.