Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Zwartoorkoekoek
Zwartoorkoekoek | Chalcites osculans
Black-eared Cuckoo | Cuclillo orejinegro
De zwartoorkoekoek is de grootste en tegelijk de minst getekende van de Australische bronskoekoeken: grijsbruin van boven met hooguit een vage olijfbronzen zweem, en effen roomgeel van onderen, zonder één dwarsband. Wat hem vastlegt is de kop — een brede, gitzwarte streep van de snavel langs het oor naar de hals, met daarboven een witte wenkbrauw die naar achteren breder wordt. Hij hoort bij het droge binnenland en legt zijn ei bij de pieperstruiksluiper en de roodkeelstruiksluiper.
Geluid
Een doordringende, lang uitgesponnen en licht dalende fluittoon, met regelmatige tussenpozen herhaald: fieeeuw, lager en klagender dan bij de andere bronskoekoeken, soms uitgebreid tot pie-o-wier. Bij balts klinkt een kort pie-o-wit. In het stille mulgaland draagt die ene toon opvallend ver.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Negentien tot eenentwintig centimeter en zo'n dertig gram, merkbaar groter en forser dan de andere bronskoekoeken. De bovendelen zijn grijsbruin met alleen bij goed licht een olijfbronzen glans — hij mist de opvallende metaalkleur van zijn verwanten. De onderzijde is effen crème tot zalmkleurig zonder enige bandering, wat hem in dit geslacht uniek maakt; alleen de staartpennen zijn getekend. Het gezicht is roomwit met een witte wenkbrauw die naar de hals toe verbreedt, en daaronder de brede zwarte oorstreep die de soort zijn naam geeft. De stuit is bleek. Jonge vogels zijn als de volwassen vogels, maar bleker.
Verwarringssoorten
Het grootste risico is een jonge Horsfields bronskoekoek (Chalcites basalis), die ook nauwelijks bandering toont: die is echter kleiner (17–18 cm), heeft roestbruin aan de basis van de staartpennen en een smallere, bruine in plaats van brede zwarte oogstreep, en zijn roep is een hogere, scherper dalende fluit. De gouden bronskoekoek (Chalcites lucidus) is meteen uitgesloten door de brede, dóórlopende groene banden op een wit onderlijf en het ontbreken van wenkbrauw en oogstreep, en is bovendien een vogel van vochtiger bos. De kleine bronskoekoek (Chalcites minutillus) is de kleinste van alle vier, heeft bij het mannetje een rode oogring, roestbruin in de onderstaart en fijne bandering op de flanken, en zit in mangrove en moessonbos van het noorden — een biotoop waar de zwartoorkoekoek juist niet komt. Waardvogel is hier ook een sleutel: alleen deze soort legt bij de pieperstruiksluiper (Pyrrholaemus sagittatus) en de roodkeelstruiksluiper (Pyrrholaemus brunneus).
Leefgebied
Droger binnenland: open bos en struweel van mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) en mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië), saltbushvlakten (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten) en bluebushvlakten (blauwgrijs zoutstruweel van het halfwoestijnachtige binnenland), en vooral de dichtere begroeiing langs droogvallende kreken, waar de waardvogels hun koepelnestjes laag in de struiken bouwen. Hij jaagt door vanaf een lage tak op de grond te duiken achter rupsen aan.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Wijd verspreid over het Australische vasteland, maar juist wég van de natte boskust: de vochtige oostkust en het zuidwesten van West-Australië worden gemeden. Het zwaartepunt ligt landinwaarts van het Groot Australisch Scheidingsgebergte in Victoria, Nieuw-Zuid-Wales en Queensland en verder door het droge binnenland. Op eilanden en in Tasmanië alleen als dwaalgast. Een deel van de vogels blijft het hele jaar in het zuiden, een ander deel trekt in de winter naar tropisch Noord-Australië en verder.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in de late winter en het vroege voorjaar langs een kreekbedding in mulgaland en laat je oren het werk doen: die ene lange, klagende fluittoon, met tellen ertussen, is in dat stille landschap onmiskenbaar. Kijk vervolgens naar lage, kale takken van waaraf hij naar de grond loert. Effen romige onderzijde plus zwarte oorstreep is de combinatie die er geen tweede heeft.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), en in alle deelstaten waar hij voorkomt als veilig beoordeeld; in Tasmanië ontbreekt hij. Hij is nergens talrijk en leeft zwervend over grote oppervlakten, wat hem lastig te tellen maakt. Zijn lot hangt aan dat van de waardvogels: de pieperstruiksluiper en de roodkeelstruiksluiper lijden onder het verdwijnen van de struiklaag door begrazing, en dat trekt op termijn ook aan deze koekoek.
Wetenschappelijke naam
Chalcites osculans | Gould, 1847
Gould beschreef de soort in 1847 in de Proceedings of the Zoological Society of London, meteen al in het geslacht Chalcites, met Nieuw-Zuid-Wales als typelocatie; auteur en jaartal staan daarom zonder haakjes. Het epitheton osculans is het Latijnse 'kussend', in het taxonomische spraakgebruik van de negentiende eeuw gebruikt voor een vorm die zo dicht bij een andere groep staat dat hij die als het ware raakt. Chalcites (Lesson, 1830) komt van het Griekse khalkos, 'brons' — een naam die bij uitgerekend deze doffe soort het minst goed past.



