Alle soorten › Zangvogels › Australische vliegenvangers › Zwart-roze vliegenvanger

Zwart-roze vliegenvanger | Petroica rodinogaster

Pink Robin | Petroica encarnada

De zwart-roze vliegenvanger is de vogel van de natte, donkere ravijnen van Tasmanië en de zuidoosthoek van het vasteland: boomvarens, mos, druipende beuken en eucalyptus, en daarin een klein vogeltje dat roetzwart is met een felroze borst en buik. Het is het meest gedempte lichtmilieu waarin een Australische vliegenvanger (robin) leeft, en juist daardoor licht het roze in een zonnevlek fel op. Het vrouwtje is warmbruin en zo onopvallend dat zij vaak pas wordt gezien als het mannetje in de buurt blijkt te zijn.

Zwart-roze vliegenvanger (Petroica rodinogaster)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zachte, korte zang die zelden ver draagt: een reeks heldere, wat weemoedige fluittonen, vaak met een licht dalend slot, afgewisseld met een scherp tik-tik als contactroep. In het dichte, vochtige bos gaat veel van het geluid verloren tussen het druipen van bladeren en het ruisen van de kreek, en het is dan vooral het harde tikje dat de aandacht trekt. De vogel zingt het meest vroeg in de ochtend en aan het begin van het broedseizoen.

Luister: ZangXC1091371

Opname: Cassin Finch — CC BY-NC-SA 4.0 · Cradle Mountain, Kentish Council, Tasmania, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een klein, gedrongen vogeltje met een ronde kop en een korte, brede snavel. Het mannetje is roetzwart op kop, keel, borstzijden en gehele bovenzijde, met een klein, dof wit voorhoofdvlekje, en draagt een roze borst die zonder scherpe grens doorloopt over de buik en pas op de onderstaartdekveren in wit overgaat. Er is geen witte keel. Het vrouwtje is warm olijfbruin tot grijsbruin, met twee duidelijke bruingele vleugelstrepen, een vage lichte voorhoofdvlek en soms een flauwe roze waas op de buik. Beide geslachten zitten graag laag, op een lage tak of stam, en wippen daarbij met de staart.

Verwarrings­soorten

De grijs-roze vliegenvanger (Petroica rosea) is de enige andere roze vliegenvanger (robin) en het echte verwarringsrisico. Die soort is kleiner en slanker, het mannetje is leigrijs in plaats van roetzwart, heeft een witte keel en een scherp begrensde witte onderbuik, en het roze blijft tot de borst beperkt; bovendien foerageert P. rosea vrijwel uitsluitend hoog in het kronendak, terwijl deze soort laag in de onderlaag blijft. De vrouwtjes scheiden op tint: warmbruin met duidelijke bruingele vleugelstrepen bij P. rodinogaster, koel vaalgrijsbruin en vrijwel ongetekend bij P. rosea. Verder mijdt P. rosea Tasmanië geheel. De rode vliegenvangers — de karmijnvliegenvanger (Petroica boodang) met zijn grote witte voorhoofdvlek en zwarte keel, de vuurbuikvliegenvanger (Petroica phoenicea) met oranjerood tot over de keel en de roodkapvliegenvanger (Petroica goodenovii) met zijn rode kruin — hebben alle een duidelijk rode in plaats van roze onderzijde en kiezen open, droger bos. De meest bedreigde soort van het geslacht, de Chatham Island-vliegenvanger (Petroica traversi), is geheel zwart zonder enig rood of roze en leeft alleen op de Chathameilanden.

Leefgebied

Natte eucalyptusbossen en gematigd regenwoud met een dichte onderlaag van boomvarens, en in Tasmanië en het zuiden van Victoria ook het zuidelijke beukenbos van Nothofagus cunninghamii. De vogel houdt zich in de onderste lagen op, loert vanaf een lage tak of een gevallen stam en duikt naar prooi op de bodem of tussen het mos. Buiten het broedseizoen verspreiden vooral jonge vogels en vrouwtjes zich naar droger en opener bos, tot in open eucalyptusbos en soms tot in tuinen aan de bosrand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Tasmanië en de eilanden in de Straat Bass, en op het vasteland een klein, versnipperd areaal in het zuiden van Victoria — de Otway Ranges, de Strzelecki Ranges en de Central Highlands — met een uitloper tot in het uiterste zuidoosten van Nieuw-Zuid-Wales. Het typespecimen komt van Maria Island bij Tasmanië. In de winter verlaat een deel van de vogels de natte ravijnen en verschijnt dan noordelijker en in lager, droger bos; sommige Tasmaanse vogels steken de Straat Bass over naar het vasteland.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in een nat ravijn met boomvarens, op ooghoogte en lager, en blijf een paar minuten stilstaan: deze soort komt vaak uit zichzelf dichterbij. Let op een donker, gedrongen vogeltje dat roerloos op een lage tak zit en met de staart wipt. Het roze is in de schaduw vrijwel zwart en verraadt zich pas in een zonnevlek, dus vaar niet op kleur maar op houding en op het harde tikje. In de winter loont het juist om in droger, opener bos te zoeken, waar vooral bruine vogels opduiken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De Tasmaanse kern is groot en aaneengesloten, maar het vastelandsdeel is klein en versnipperd en hangt af van het voortbestaan van natte ravijnbossen met boomvarens — een bostype dat gevoelig is voor houtkap en vooral voor zware bosbranden, die de vochtige onderlaag in één seizoen kunnen wegnemen en waarvan het herstel decennia duurt. Voor de vastelandspopulaties is dat het knelpunt waar in beheer op wordt gewezen; voor de soort als geheel is er geen aanwijzing voor een landelijke achteruitgang.

Wetenschappelijke naam

Petroica rodinogaster | (Drapiez, 1819)

Pierre Auguste Joseph Drapiez beschreef de soort in 1819 als Saxicola rodinogaster, naar materiaal van Maria Island bij Tasmanië; omdat de soort nu in Petroica staat, gaan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Petroica is samengesteld uit het Oudgriekse petros ('rots') en oikos ('woning'). Het epitheton is gevormd uit het Griekse rhodinos ('rooskleurig') en gaster ('buik'), dus 'roze van buik' — een treffende naam, want juist de doorlopende roze buik onderscheidt de soort van de grijs-roze vliegenvanger. De Engelse naam Pink Robin en de Spaanse petroica encarnada noemen alleen de kleur; de Nederlandse naam zwart-roze vliegenvanger zet het zwart van de bovenzijde ernaast.