Alle soorten › Stormvogelachtigen › Albatrossen › Witkapalbatros

Witkapalbatros | Thalassarche cauta

Shy Albatross | Albatros cauto

De witkapalbatros is de grootste van de mollymawks (albatrossen van het geslacht Thalassarche) en de enige albatros die op eilanden dicht bij het Australische vasteland broedt: een forse, breedvleugelige zeevogel met een sneeuwwitte kruin, een lichtgrijs gezicht en een grijsblauwe snavel met gele punt. Deze gids houdt de Nieuw-Zeelandse witkopvogels (Thalassarche steadi) binnen deze soort, zodat de naam zowel de Tasmaanse als de Aucklandse populatie dekt.

Witkapalbatros (Thalassarche cauta)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee is hij vrijwel stom, op een schor gekras na wanneer vogels om visafval vechten. Op de kolonie klinkt een reeks balkende, kwakende en jankende tonen tijdens het vertoon, met snavelgeklepper en een laag gegrom tussen paren die naast elkaar zitten. Jongen roepen met een dun, herhaald piepen dat vanaf het klif goed hoorbaar is.

Luister: RoepXC796810

Opname: Barry Edmonston — CC BY-NC-SA 4.0 · Southland, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Met negentig tot honderd centimeter en drie en een half tot ruim vier kilo is hij de grootste mollymawk (albatros van het geslacht Thalassarche), met een spanwijdte tot boven de twee en een halve meter en opvallend brede, rechte vleugels. De kop is wit met een lichtgrijze wang en een klein donker vlekje vlak voor het oog; de rug en bovenvleugel zijn zwartgrijs, maar de onderrug en stuit zijn wit. De ondervleugel is vrijwel geheel wit met een zeer smalle zwarte rand en een klein zwart 'duimvlekje' in de oksel — dat vlekje wijst de hele witkapgroep aan. De snavel is blauwgrijs tot grijsgroen met een gele punt; bij Tasmaanse vogels is er bovendien geel aan de basis van de bovensnavelrug, maar dat vraagt goed zicht van dichtbij. Jonge vogels hebben een grijzere kop en een grijze snavel met donkere punt, en missen het geel.

Verwarrings­soorten

Salvins albatros (Thalassarche salvini) is de moeilijkste: die heeft een uitgebreide lichtgrijze kap over kop, keel en nek waar de witkapalbatros wit is, en een zwarte vlek op de punt van de ondersnavel. Bij goed licht en op korte afstand is dat hard; bij tegenlicht of op afstand zijn beide soorten eerlijk gezegd vaak niet te scheiden, want kop- en snavelkleur vervlakken allebei. De chathamalbatros (T. eremita) heeft eenzelfde duimvlekje en grijze kap, maar een felgele tot oranje snavel met donkere ondersnavelpunt, en broedt alleen op de Pyramid. De wenkbrauwalbatros (T. melanophris) is kleiner, heeft een oranjegele snavel en brede zwarte ondervleugelranden. De grote albatros (Diomedea exulans) en de zuidelijke koningsalbatros (D. epomophora) zijn duidelijk groter met een roze snavel en witte of verwitte bovenvleugel. De roetkopalbatros (Phoebetria palpebrata) en de zwarte albatros (P. fusca) zijn geheel donker met wigstaart en bieden geen verwarring.

Leefgebied

Continentaal plat en de plaatrand van Zuid-Australië, Tasmanië en Nieuw-Zeeland, waar hij duikend en van het oppervlak vis en inktvis neemt; hij is een van de weinige albatrossen die enkele meters diep duikt. Trawlers en beugschepen trekken hem aan. Broedkolonies liggen op kale, steile rotseilanden en kliffen: in Tasmanië op onbegroeide granietkoppen, in Nieuw-Zeeland op tussockhellingen (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) van subantarctische eilanden.

Verspreiding en trek

De Tasmaanse vogels broeden op slechts drie eilanden — Albatross Island in Straat Bass, de Mewstone en Pedra Branca ten zuiden van Tasmanië — samen zo'n vijftienduizend broedparen per jaar, en het is daarmee de enige albatros die uitsluitend in Australië broedt. De Nieuw-Zeelandse witkopvogels broeden vooral op Disappointment Island in de Aucklands, waar rond de eenennegentigduizend paren zitten, met kleinere aantallen op Bollonseiland bij de Antipoden en op de Forty-Fours in de Chathams. Buiten de broedtijd is hij de talrijkste grote albatros voor de zuidkust van Australië en rond heel Nieuw-Zeeland, met vogels die tot voor Zuid-Afrika trekken.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Vanaf het land is hij te zien vanaf de kliffen bij Eaglehawk Neck en Bicheno in Tasmanië en vanaf de koppen bij Portland in Victoria; op zee zit hij op vrijwel elke winterpelagic uit Wollongong, Port Fairy, Kaikoura of Stewarteiland. Let op de uitzonderlijk witte ondervleugel en zoek het zwarte duimvlekje in de oksel; bekijk daarna de snavel op geel aan punt en basis, en de kop op grijs. Een vogel die als 'witkap' overkomt maar een duidelijk grijze kap heeft, is Salvins albatros tot het tegendeel blijkt.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT) op wereldschaal, maar Australië verhoogde de status van de Tasmaanse vogels in juni 2020 naar bedreigd. Bijvangst in de beug- en trawlvisserij is de grootste doodsoorzaak, met naar schatting duizenden vogels per jaar in de zuidelijke oceaan; bij Nieuw-Zeelandse witkopvogels gaan er alleen al aan de Zuid-Afrikaanse beugvloot zevenduizend tot elfduizend per jaar verloren. Op Pedra Branca loopt het broedsucces terug door verdringing en klimaatverandering, en warme zomers veroorzaken op de Tasmaanse eilanden hittesterfte onder jongen. Vroegere varkens en verwilderde katten op de Aucklands hebben er kolonies aangetast.

Wetenschappelijke naam

Thalassarche cauta | (Gould, 1841)

Gould beschreef de soort in 1841 als Diomedea cauta naar materiaal uit Straat Bass; auteur en jaartal staan tussen haakjes omdat ze naar Thalassarche is verplaatst. cauta is Latijn voor 'voorzichtig, schuw', naar het gedrag dat ook in de Engelse naam Shy Albatross terugkomt. De Nieuw-Zeelandse witkopvogels beschreef Falla in 1933 als Thalassarche cauta steadi, genoemd naar de Nieuw-Zeelandse ornitholoog Edgar Stead; sommige naamlijsten beschouwen die als een eigen soort, deze gids niet. De Maori-naam toroa geldt voor albatrossen in het algemeen.