Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Witbuikzeearend
Witbuikzeearend | Icthyophaga leucogaster
White-bellied Sea-Eagle | Pigargo oriental
De witbuikzeearend is met bijna een meter lengte en een spanwijdte tot twee meter een van de twee grootste roofvogels van dit gebied, en langs elke Australische kust het eerste wat een vogelaar leert herkennen: sneeuwwitte kop en onderzijde tegen leigrijze vleugels, met een korte witte wigstaart. Hij zeilt met de vleugels in een opvallend scherpe V.
Geluid
Een luide, ganzenachtige serie honkende noten die over het water draagt: ank-ank-ank, vaak in duet door het paar vanaf de nestboom of in de vlucht. Het mannetje roept hoger en sneller dan het vrouwtje. In de broedtijd, van mei tot oktober, is het een van de meest kenmerkende geluiden van een Australische riviermonding of baai; buiten die periode roept hij minder, maar het duet blijft hét kenmerk van een bezet territorium.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een zeer grote arend. De volwassen vogel heeft een witte kop, borst, buik en ondervleugeldekveren, donkergrijze rug en bovenvleugels, en zwarte slagpennen die onder de vleugel een scherpe grens met het wit vormen. De staart is kort en wigvormig, grijs aan de basis en breed wit aan het eind. De snavel is groot, gehaakt en grijs met een donkere punt, het oog donkerbruin, en de poten zijn crèmewit en — belangrijk — onbevederd, tot aan de tenen kaal. Hij zeilt met de vleugels in een duidelijke, scherpe V. Jonge vogels zijn overwegend bruin en krijgen in vier tot vijf jaar geleidelijk meer wit; ze tonen al wel de korte wigstaart en de kale poten. Het vrouwtje is groter en zwaarder.
Verwarringssoorten
De wigstaartarend (Aquila audax) is de enige echte tegenspeler op formaat: even groot of groter, maar geheel donker, met een véél langere wigstaart en met poten die tot aan de tenen bevederd zijn. Jonge witbuikzeearenden zijn eveneens bruin en worden regelmatig voor wigstaartarenden aangezien — de korte staart en de kale poten beslissen dan. Ten opzichte van de wouwen is het formaat zelf het kenmerk: de wigstaartwouw (Haliastur sphenurus), de zwarte wouw (Milvus migrans) en de Brahmaanse wouw (Haliastur indus) zijn geen van alle veel langer dan een halve meter en halen nauwelijks de helft van zijn spanwijdte; een zeearend die naast een groep wouwen boven dezelfde kreek hangt, zet het verschil onmiddellijk vast. De visarend (Pandion haliaetus) deelt kust en visdieet, maar is duidelijk kleiner, heeft lange geknikte vleugels en een donkere oogstreep over een witte kop.
Leefgebied
Kust en bijna-kust: zee en continentaal plat binnen zicht van land, rotskusten en zeekliffen, wadden en estuaria, mangrove en riviermondingen. Daarnaast volgt hij grote rivieren en meren tot ver landinwaarts, vooral langs het Murray-Darlingsysteem en boven binnenlandse stuwmeren. Hij jaagt op vis — meerval, barramundi —, zeeslangen en schildpadden, en verder op watervogels, zeevogels, reptielen en kleine zoogdieren; aas eet hij zonder bezwaar, en hij achtervolgt kleinere roofvogels tot ze hun prooi loslaten. Het nest is een groot takkenbouwsel, tot dertig meter hoog in een boom maar plaatselijk ook op een rotsrichel of gewoon op de grond op een eiland, en wordt vele jaren achtereen gebruikt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Langs de hele Australische kust en de grote waterwegen, van Queensland zuidwaarts via Nieuw-Zuid-Wales, Victoria en Zuid-Australië tot Tasmanië en de eilanden voor de kust, en rond het hele tropische noorden en de westkust. Plaatselijk is hij talrijk, zoals bij Corner Inlet in Victoria en op Kangaroo Island in Zuid-Australië. Landinwaarts reikt hij tot de binnenlandse rivieren en stuwmeren van oostelijk Australië. Voor Norfolk Island is er één waarneming, en er bestaat een enkel geval van Lord Howe Island. In Nieuw-Zeeland broedt hij niet; er zijn enkele onbevestigde meldingen, meer niet.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga aan een riviermonding, een baai of een groot stuwmeer staan en zoek langs de bomenrand op de skyline: hij zit graag hoog en vrij op een dode tak met uitzicht over het water, uren aaneen. In de vlucht is de scherpe V al op grote afstand te lezen, nog voordat het wit zich laat zien. Luister in de winterhelft van het jaar naar het ganzengehonk van het duet — dat wijst een bezet territorium aan en dus een nestboom in de buurt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) op wereldschaal, met een populatie die op tienduizend tot honderdduizend vogels wordt geschat, maar in het zuidoosten van Australië gaat het minder goed en staan er regionale lijsten tegenover. In Tasmanië zitten minder dan duizend volwassen vogels en geldt hij als kwetsbaar onder de deelstaatwet; in Victoria is hij als bedreigd aangemerkt met minder dan honderd broedparen, en in Zuid-Australië als kwetsbaar. De knelpunten zijn steeds dezelfde: verstoring bij het nest door recreatie en bouwactiviteit, het verdwijnen van oude nestbomen langs de kust, afschot en vergiftiging, en botsingen met hoogspanningsleidingen. Omdat een paar decennialang hetzelfde nest gebruikt, hakt het verlies van één nestboom er hard in.
Wetenschappelijke naam
Icthyophaga leucogaster | (Gmelin, 1788)
Gmelin beschreef de soort in 1788 als Falco leucogaster, naar exemplaren die tijdens Cooks laatste reis bij Prinseneiland voor Java waren verzameld; door de latere verhuizing naar een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. De vogel stond lang in Haliaeetus, maar wordt in de huidige indeling in Icthyophaga geplaatst, een geslacht dat Lesson in 1843 invoerde uit het Griekse ikhthus 'vis' en phagos 'etend' — de viseters onder de zeearenden. leucogaster komt van leukos 'wit' en gaster 'buik'. De typelocatie is naderhand op Java vastgesteld; de Nederlandse en Engelse naam vertalen het epitheton rechtstreeks.





