Alle soorten › Zangvogels › Doornsnavels en verwanten › Twijgdoornsnavel

Twijgdoornsnavel | Acanthiza lineata

Striated Thornbill | Acantiza estriada

De twijgdoornsnavel is de doornsnavel van het bladerdak: negen tot tien centimeter, zeven gram, met een oranjebruine kruin die fijn met wit is gestreept en een borst vol zwarte streepjes. Terwijl de bruine doornsnavel in de ondergroei rommelt, hangt deze hoog in de eucalyptuskronen ondersteboven aan de buitenste twijgen, in troepjes van zeven tot twintig.

Twijgdoornsnavel (Acanthiza lineata)
Foto: Mdekool — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hoge, insectachtige geluidjes: een ijl tsizz-tsizz dat aanhoudend uit de kroon komt en waarmee een troepje contact houdt. De toon ligt merkbaar hoger en dunner dan bij de bruine doornsnavel, en vaak is dat geluid het enige waaraan je merkt dat er boven je vogels zitten. De zang is een zacht, snel gekwetter dat tussen die hoge noten door klinkt.

Luister: VluchtroepXC1041369

Opname: Zebedee Muller — CC BY-NC-SA 4.0 · Denman Prospect, Australian Capital Territory, Australia · xeno-canto

Herkenning

Negen tot tien centimeter, ongeveer zeven gram. Geelgroen tot olijf op de rug, met een oranje- tot roestbruine kruin die duidelijk met crème is gestreept; dat is het kenmerk waar alles om draait. Keel en borst zijn crèmewit en zwaar zwart gestreept, de flanken lopen olijfgrijs aan. Het oog is donker. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn minder gestreept op de onderdelen.

Verwarrings­soorten

De gele doornsnavel (Acanthiza nana) deelt het verspreidingsgebied en vaak zelfs de boom: die is geel op de onderdelen, heeft een fijn gestreepte oorstreek maar een effen kruin, en een donker oog. De bruine doornsnavel (A. pusilla) heeft een geschubd roestvoorhoofd zonder witte strepen, een donkerrood oog, en zit in de ondergroei. De vaalstuitdoornsnavel (A. reguloides) heeft een vaalgele stuit, een licht oog en geen streping, en foerageert veel op de grond. De Tasmaanse doornsnavel (A. ewingii) komt alleen op Tasmanië voor en mist de gestreepte kruin. Het eucalyptushaantje (Smicrornis brevirostris) werkt hetzelfde kroondak af maar heeft een kort, bleek snaveltje en is ongestreept.

Leefgebied

Open eucalyptusbos en open bos met een goed ontwikkelde struiklaag, van nat bergbos tot droger kustbos. Hij neemt ook parken en tuinen in gebruik zodra de aanplant een jaar of tien oud is en de bomen hoog genoeg zijn opgeschoten, en houdt zich in landbouwgebied op in restbosjes en in boomsingels langs wegen en kreken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Alleen het zuidoostelijke vasteland van Australië, van zuidelijk Queensland door Nieuw-Zuid-Wales en Victoria tot in oostelijk Zuid-Australië, Kangaroo Island inbegrepen. Op Tasmanië ontbreekt hij. Vier ondersoorten worden onderscheiden. Hij trekt niet, maar buiten de broedtijd zwerven troepjes van zeven tot twintig vogels door het bos, vaak in gemengd gezelschap.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk omhoog, niet in de struiken. Ga onder een bloeiende of pas uitgelopen eucalyptus staan, luister naar het ijle tsizz, en zoek de vogeltjes die ondersteboven aan de buitenste bladeren hangen. Krijg je er een in beeld, controleer dan de kruin: crème gestreept op oranjebruin, en niet effen. Op de grond zie je hem zelden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en in het zuidoostelijke bos nog steeds algemeen; in alle staten waar hij voorkomt geldt hij als veilig. Hij is wel gebonden aan opgaand eucalyptusbos met een struiklaag, en verdwijnt uit landschappen waar alleen losse weidebomen overblijven. Oude tuinen met hoge inheemse bomen houden hem juist vast.

Wetenschappelijke naam

Acanthiza lineata | Gould, 1838

John Gould beschreef de soort in 1838 meteen in het geslacht Acanthiza, zodat auteur en jaartal zonder haakjes staan; de typelocatie is Sydney in Nieuw-Zuid-Wales. Het Latijnse lineatus betekent 'gestreept' en slaat op de gestreepte kruin en onderdelen. Het geslacht Acanthiza werd in 1827 ingevoerd door Vigors en Horsfield, uit het Griekse akantha, 'doorn', en zao, 'wonen': de vogel van het doornstruweel. De Nederlandse naam verwijst naar de gewoonte om aan de uiterste twijgen te foerageren.