Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Steltvorkstaartplevier
Steltvorkstaartplevier | Glareola isabella
Australian Pratincole | Canastera patilarga
De steltvorkstaartplevier is de vorkstaartplevier die is gaan lopen: waar zijn verwanten laag en gedrongen op de grond zitten, staat hij hoog op de poten midden op een kale gibbervlakte (steenwoestijn met een dek van gepolijste keien), vaak als enige vogel in het trillende licht. Hij rent achter insecten aan als een plevier en vangt ze in de schemering ook in de lucht, met lange spitse vleugels. Broeden doet hij in het droge binnenland; na het broeden trekt hij noordwaarts, tot ver buiten Australië.
Geluid
De vluchtroep is een helder, opwaarts glijdend fluitje, wiet-iet of kirrie-piet, dat een groep boven een kale vlakte ver draagt. Bij het nest en bij verstoring gaat dat over in scherpe, snel herhaalde noten die in kracht toenemen naarmate de indringer dichterbij komt. Vogels die in de schemering samen op insecten jagen roepen kort en droog naar elkaar. Op de grond zwijgt hij meestal.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een slanke, hooggepote vogel van negentien tot vierentwintig centimeter, zandkleurig tot licht kaneelbruin van boven en wit op de buik, met midden op die buik een donkere kastanjebruin-en-zwarte vlek. De snavel is kort en in het broedkleed helder rood met een zwarte punt; een donkere teugelstreep loopt van het oog naar de snavel. In de vlucht vallen de lange spitse vleugels met een vrijwel zwarte ondervleugel op, een witte stuit en een korte, gevorkte staart met een zwarte eindband. Buiten de broedtijd en bij jonge vogels is de snavel donker, is de buikvlek flauw of afwezig en zijn de bovendelen schubbig getekend door lichte veerzomen. Man en vrouw zien er gelijk uit.
Verwarringssoorten
De oosterse vorkstaartplevier (Glareola maldivarum) komt in de Australische zomer in grote groepen uit Azië naar het noorden en is de enige echte verwarring: korter van poot, warmer bruin, met een roomkleurige keel omlijst door een dunne zwarte band, en met kastanjebruine ondervleugeldekveren in plaats van een egaal donkere ondervleugel. De Australische renplevier (Peltohyas australis) deelt de gibbervlakte, maar is korter van poot, heeft een zwarte tekening over kruin en borst en rent met de kop laag. In de vlucht doet de soort aan een stern of een kleine valk denken; het witte stuitvlak en de zwarte staartband sluiten beide uit. Op grote afstand staan er op dezelfde velden ook kleine regenwulpen, maar die hebben een gebogen snavel en een gestreepte borst.
Leefgebied
Kale, open en steenharde grond: gibbervlakten, droogvallende claypans (ondiepe kleikommen die na regen tijdelijk water vasthouden), kortgevreten Mitchellgrasland, geploegde akkers, vliegstrips en de oevers van opdrogende binnenlandmeren. Hij wil vrij zicht en ruimte om te rennen, en hij mijdt alles waarin hij niet kan overzien wat er aankomt. Water hoeft er niet dicht bij te zijn, al staat een groep in de hitte graag bij een plas of een veedam. In het noorden gebruikt hij buiten de broedtijd ook de open savanne en pas afgebrande vlakten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Broedt in het droge binnenland van Australië, van de Kimberley en het binnenland van het Noordelijk Territorium door westelijk Queensland tot in het noorden van Victoria en het oosten van Zuid-Australië, van augustus tot december. Daarna trekt hij noordwaarts: in de Australische winter, juni en juli, zitten de grootste aantallen in het tropische noorden en buiten de gids in Nieuw-Guinea, op Java, Sulawesi en het zuiden van Borneo. Het is dus een trekvogel die het gebied niet verlaat om te overwinteren maar juist om het noorden op te zoeken, en de kaart kleurt daardoor omgekeerd aan wat een noordelijke gids zou tonen. Naar Nieuw-Zeeland komt hij als dwaalgast en niet meer dan dat.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in het late voorjaar, tussen september en november, een grindweg over een gibbervlakte of een claypan en zoek naar rechtopstaande, lichte silhouetten op de kale grond; ze staan stil tot de auto vlakbij is en rennen dan een stuk weg. Kom er niet uit: vanaf de weg blijft een groep rustig staan en op de vlakte lopen jaagt haar meteen op. Kijk in de laatste twee uur voor donker omhoog, want dan gaat de hele groep in de lucht om insecten te vangen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een populatie die op de orde van zestigduizend vogels wordt geschat en die over een enorm areaal is verspreid. De grootste onzekerheid is niet de trend maar de telling: de vogel broedt in gebieden waar bijna niemand komt en verplaatst zich met de regen, zodat een terrein het ene jaar tientallen vogels heeft en het volgende geen. Aanrijdingen op onverharde binnenlandwegen en het vertrappen van legsels door vee spelen plaatselijk een rol, want de eieren liggen zonder nest op de kale grond.
Wetenschappelijke naam
Glareola isabella | Vieillot, 1816
Vieillot beschreef de soort in 1816 als Glareola isabella, en deze gids houdt haar in dat geslacht, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven; lange tijd stond ze in het aparte geslacht Stiltia, waarvan ze het enige lid was. Glareola is een verkleinvorm bij het Latijnse glarea, 'grind', naar de kale, stenige grond waarop deze vogels zitten. isabella staat voor isabelkleurig, een licht geelbruine tint. Als typelocatie gaf Vieillot alleen 'Australazië' op, zonder nadere plaats.





