Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Smaragdduif
Smaragdduif | Chalcophaps longirostris
Pacific Emerald Dove | Palomita esmeralda cabecigrís
De smaragdduif is een gedrongen bosduif die bijna altijd op de grond wordt aangetroffen en waarvan de kleur pas goed zichtbaar wordt als het licht op de rug valt: schouders en vleugels zijn diep metaalgroen, tegen een warm wijnroze kop en onderzijde. Hij schiet laag en snel weg tussen de stammen door en verdwijnt dan snel uit het zicht.
Geluid
Een lage, zachte en klagende reeks van zes tot zeven koeren die stil begint en gaandeweg aanzwelt en oploopt: oe … oe … hoe-hoe-hoe-hoe, vaak vanaf een lage tak in dicht struweel en moeilijk te plaatsen. Daarnaast een nasaal, kort hoe-hoe-hoen. Bij het opvliegen klinkt een droog vleugelgeklepper.
Opname: Greg McLachlan — CC BY-NC-SA 4.0 · Maleny, Sunshine Coast Regional, Queensland, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, compacte duif van een kleine dertig centimeter met een korte staart, een rode snavel en rozerode tot roodbruine poten. De mantel en de bovenvleugel zijn onmiskenbaar smaragdgroen met bronsglans; kop, hals en borst zijn dofroze tot wijnrood, de buik grijzer. Het mannetje heeft een grijze kruin en een witte vlek op de vleugelbocht; het vrouwtje is bruiner, mist de witte schoudervlek en heeft hooguit een grijs vlekje daar. Twee lichte banden over de donkere stuit vallen op als hij van je wegvliegt — dat, plus het groen, is meestal alles wat je krijgt. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn bruin geschubd.
Verwarringssoorten
Weinig kans op verwarring, want geen andere duif van dit gebied heeft die groene rug. Op de bosbodem kruist hij wel de wongaduif (Leucosarcia melanoleuca), die veel groter is, blauwgrijs met een witte V op de borst. In het noorden overlappen de roodnekzebraduif (Geopelia humeralis) en Goulds zebraduif (Geopelia placida) met hem: die zijn slanker, langstaartig en fijn gebandeerd, zonder enig groen. Wegvliegende vogels kunnen op een kleine koekoek of een ijsvogel lijken, maar de afgeronde vleugels en de plompe bouw van de duif sluiten dat uit.
Leefgebied
Regenwoud en moessonbos vormen de kern, met daarnaast lianenstruweel, mangrove, dichte kustheide, nat eucalyptusbos en de beschutte randen van plantages en tuinen. Hij zoekt de bodem af naar gevallen vruchten, zaden en kleine ongewervelden en zit in bomen vrijwel alleen om te slapen en te broeden. Dichte ondergroei en een vochtige, schaduwrijke bosbodem zijn de constante.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Van de Kimberley door de Top End van het Noordelijk Territorium en Kaap York, en verder langs de oostkust van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales tot in het uiterste oosten van Victoria. Binnen het kaartvenster komt hij daarnaast voor op Norfolkeiland en Lord Howe. Hij ontbreekt in het droge binnenland en op Nieuw-Zeeland; in het zuidelijke deel van zijn areaal is hij plaatselijk en gebonden aan de resterende regenwoudstroken langs de kust.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop bij zonsopgang zachtjes over een regenwoudpad en let op geluid van de bodem in plaats van op beweging in de kronen; meestal zie je hem als een laag, snel en recht wegschietende vogel die groen opflikkert in het strijklicht. Stilstaan helpt: vogels die je niet hebt opgejaagd komen vaak binnen enkele minuten terug op hetzelfde loopspoor.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De soort heeft een groot areaal in Australië en op de eilanden van de westelijke Stille Oceaan en is in het noorden nog talrijk. In het zuidoosten is het verhaal kwetsbaarder, want daar hangt hij aan smalle, versnipperde regenwoudresten langs de kust, en zijn gewoonte om laag door open plekken te vliegen kost hem vogels langs wegen. Verwilderde katten en vossen zijn een bijkomende druk op een duif die het grootste deel van zijn tijd op de grond doorbrengt.
Wetenschappelijke naam
Chalcophaps longirostris | Gould, 1848
John Gould beschreef de soort in 1848 meteen in het geslacht Chalcophaps, dat hij in 1843 had ingevoerd, zodat auteur en jaartal zonder haakjes staan, en de Australische vogels werden lang tot de Aziatische Chalcophaps indica gerekend. Chalcophaps is gevormd uit Oudgrieks khalkos 'brons' en phaps 'duif'. Het epitheton longirostris betekent 'langsnavelig' en wijst op het verschil met de Aziatische soort. De typevogel komt uit Australië.



