Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Roodkeelstrandloper

Roodkeelstrandloper | Calidris ruficollis

Red-necked Stint | Correlimos cuellirrojo

De roodkeelstrandloper is de talrijkste kleine steltloper van Australië en de kleinste steltloper die hier in grote aantallen komt: dertien tot zestien centimeter en ongeveer vijfentwintig gram, niet meer dan een huismus, en toch twee keer per jaar tienduizend kilometer onderweg tussen de Siberische toendra en de zuidkust van Australië. Op het wad is het een gedrongen, kortpotig bolletje met pikzwarte poten en een kort, recht zwart snaveltje, dat met honderden tegelijk over de plaat rent. Vlak voor het vertrek in maart kleuren kop, keel en bovenborst steenrood.

Roodkeelstrandloper (Calidris ruficollis)
Foto: Ed Dunens — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een dun, hoog en kort tsjiet, vaak schor van klank en meestal gegeven op het moment dat een vogel opvliegt; als een hele zwerm verlegt, klinkt het als een aanhoudend, ijl geritsel van honderden stemmen tegelijk. Foeragerende vogels zwijgen grotendeels en laten alleen af en toe een zacht, kort contactnootje horen. In de zwerm hoor je bij onraad een scherper, sneller herhaald stit-stit.

Luister: VluchtroepXC840811

Opname: Ray Tsu 诸仁 — CC BY-NC-SA 4.0 · Jiuduansha Wetland National Nature Reserve, Shanghai, China · xeno-canto

Herkenning

Een heel kleine steltloper van dertien tot zestien centimeter, gedrongen, kortpotig en met een opvallend horizontale, ineengedoken houding tijdens het foerageren. De snavel is kort, recht, geheel zwart en met een iets verdikte, stompe punt — korter dan de kop. De poten zijn zwart: dat is het enige kenmerk dat in het veld altijd werkt en dat de soort in één oogopslag scheidt van de taigastrandloper. In winterkleed is hij grijsbruin met lichte veerzomen boven, wit onder, met een grijze vlek opzij van de borst en een lichte wenkbrauwstreep. In broedkleed, dat je hier alleen in februari en maart ziet, worden kop, keel en bovenborst steenrood tot zalmrood, zonder witte scheiding tussen snavel en rood. In de vlucht: een smalle witte vleugelstreep en een donkere middenstreep over stuit en staart met witte zijkanten.

Verwarrings­soorten

De kleine strandloper (Calidris minuta) is de moeilijkste en komt hier alleen als dwaalgast voor: hij heeft eveneens zwarte poten, maar is langer van poot, fijner en spitser van snavelpunt, en toont bij jonge vogels een duidelijke witte V over de mantel en een veel contrastrijker bovendeel; in broedkleed is hij oranjer met een witte keel, terwijl de roodkeelstrandloper het rood juist tot in de keel doortrekt. De taigastrandloper (Calidris subminuta) is de tweede kandidaat en is zonder meer op pootkleur af te scheiden: geelgroen in plaats van zwart, en bovendien langer van poot en hals, donkerder boven en met een gestreepte in plaats van geschubde mantel. De drieteenstrandloper (Calidris alba) is groter, veel bleker, zwaarder van snavel, mist de achterteen en rent op branding en zandstrand in plaats van in slikkige zwermen. De breedbekstrandloper (Calidris falcinellus) is iets groter, heeft een langere snavel met een naar beneden geknikte punt en een dubbele wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Uitgestrekte intergetijdenplaten van slik en zand in estuaria, havens en beschutte baaien, waar hij bij laagwater pikkend en snel trippelend voedsel zoekt in de bovenste centimeters. Daarnaast ondiepe brakke kustmeren met samphire (laag, vlezig zoutmoerasstruweel op getijdenslib) langs de oever, zoutwinningsbekkens en rioolvelden, en bij hoogwater schelpenbanken, zandspieten en kwelderranden waar hij in dichte, ineengedoken groepen slaapt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Langs vrijwel de hele Australische kust, met verreweg de grootste aantallen in het zuidoosten — Corner Inlet, Western Port, de Coorong en de Gulf St Vincent — en in het noordwesten op Eighty Mile Beach en in Roebuck Bay; het binnenland raakt hij vooral aan op doortrek en na regen. Australië herbergt daarmee het leeuwendeel van de wereldpopulatie. In Nieuw-Zeeland is hij veel schaarser: jaarlijks tussen de vijftig en tweehonderd vogels, verspreid over Lake Ellesmere, Awarua Bay, de Manukau Harbour, Farewell Spit, Porangahau, Parengarenga, de Kaipara, Lake Grassmere en de Firth of Thames, met minder dan vijftig die de zuidelijke winter blijven. De aankomst valt van eind augustus tot november, het vertrek van begin maart tot half april. Op Norfolk is hij hooguit een toevallige doortrekker.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga bij opkomend tij naar een hoogwatervluchtplaats en werk de groep kleine strandlopers systematisch af: kijk eerst naar de poten. Zwart betekent vrijwel altijd roodkeelstrandloper; een vogel met bleke, geelgroene poten is de moeite van tien minuten extra kijken waard, want dat is de taigastrandloper. Kijk daarna pas naar de snavel — kort, recht en stomp bij deze soort. In februari en maart zijn de vogels die al beginnen te kleuren de makkelijkste: het steenrode kopje valt op grote afstand op tussen honderden grijze soortgenoten.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT), en dat is een recente terugval: tot in de jaren tachtig was dit een soort waarover niemand zich zorgen maakte. De oorzaak ligt vrijwel geheel buiten Australië en Nieuw-Zeeland, op de tussenstops van de Oost-Aziatische trekweg, waar de wadplaten van de Gele Zee op grote schaal zijn ingepolderd voor haven, industrie en aquacultuur; een vogel van vijfentwintig gram kan die afstand niet zonder tanken. Binnen het kaartvenster is verstoring van de hoogwatervluchtplaatsen door honden, quads en strandwandelaars het belangrijkste punt, samen met het inrichten van zoutvelden en kwelders.

Wetenschappelijke naam

Calidris ruficollis | (Pallas, 1776)

Pallas beschreef de soort in 1776 als Trynga ruficollis, met het zuidelijke Transbaikal in oostelijk Siberië als typelocatie; door de latere verplaatsing naar een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton ruficollis is gevormd uit het Latijnse rufus, 'roodbruin', en -collis, 'gehalsd', en slaat op het broedkleed. De geslachtsnaam Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem en gaat terug op het Oudgriekse kalidris of skalidris, een woord dat Aristoteles gebruikte voor een grijze vogel van de waterkant. De Nederlandse naam legt de nadruk op de rode keel, de Engelse op de rode hals, en beide beschrijven hetzelfde kleed.