Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Roodkapparkiet
Roodkapparkiet | Purpureicephalus spurius
Red-capped Parrot | Perico capelo
De roodkapparkiet is de opvallendste parkiet van het zuidwesten van West-Australië: een forse, langstaartige vogel met een karmijnrode kruin, groengele wangen en een diep paarsblauwe onderzijde. Zijn handelsmerk is de snavel — een sterk verlengde, slanke haak waarmee hij als enige de keiharde vruchtdozen van de marri openwrikt.
Geluid
De contactroep is een raspend, tweelettergrepig kroek-rak of krrr-uk, in de vlucht snel herhaald en over een flink stuk bos hoorbaar; het is een hard, wat knarsend geluid, geen fluit. Bij onraad volgen schelle, luide kreten. Een mannetje dat zijn nestholte bewaakt of opgewonden is, houdt een aanhoudend gekwetter aan. De vlucht is golvend en fladderend, en de roep hoort erbij.
Opname: Randy Moore — CC BY-NC-SA 4.0 · Woogenellup, Western Australia, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een grote parkiet van vierendertig tot achtendertig centimeter met een lange staart. Het mannetje heeft een karmijnrood voorhoofd en kruin, grijsbruine teugels, een groene nek en groengele wangen, donkergroene bovendelen en een donkergroene staart met een blauwe punt, terwijl borst en buik diep paarsblauw zijn en de dijen en onderstaartdekveren rood. De snavel is bleek blauwgrijs met een donkergrijze punt, en de bovensnavel is sterk verlengd tot een smalle haak — vandaar de plaatselijke bijnaam 'hookbill'. Het vrouwtje is doffer, met minder uitgesproken rood, groengele spikkeling op de rode flanken en, in de vlucht, een witte streep op de ondervleugel. Jonge vogels zijn overwegend groen met een oranje snavel die binnen twee tot vijf maanden bleek blauwgrijs wordt; het volwassen kleed komt pas na de eerste rui rond augustus tevoorschijn.
Verwarringssoorten
Binnen zijn areaal is hij eigenlijk onmiskenbaar, maar op formaat lijkt hij op de Port Lincoln-parkiet (Barnardius zonarius), die in hetzelfde bos zit; die heeft echter een zwarte kop met een smalle rode voorhoofdsband, een brede gele halsband en een gewone korte papegaaiensnavel, mist het paarsblauw op de buik en is in de vlucht veel effener groen. De stanleyrosella (Platycercus icterotis) van hetzelfde zuidwesten is veel kleiner, dieprood op kop en onderdelen met een scherp begrensde gele wangvlek, en heeft geen lange snavel. Het echte probleem zijn de jonge vogels: die zijn overwegend groen en missen de rode kruin volledig — let dan op de opvallend lange bovensnavel en op de witte ondervleugelstreep, beide al vroeg aanwezig.
Leefgebied
Dicht tot open eucalyptusbos en open bos van het zuidwesten, vrijwel altijd waar marri (Corymbia calophylla) staat; daarnaast jarrah-, tuart-, wandoo- (witstammige eucalyptus van zuidwestelijk Australië, en het bos ervan), yate- en peppermintbos en kustheide. Hij eet zaden die hij met één poot uit de vruchtdoos van een eucalyptus of uit een kegel van casuarina peutert, en de lange haaksnavel is daar precies op gebouwd — een techniek die hij deelt met de langsnavelraafkaketoe. Hij is het hele jaar honkvast. Het nest ligt in een boomholte op gemiddeld zo'n tien meter hoogte, in oude marri, jarrah, tuart of papierschorsboom; er komen doorgaans vijf eieren. In de voorsteden van Perth, in parken en in boomgaarden is hij een gewone verschijning.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Alleen het zuidwesten van West-Australië, van de Moore River ten noorden van Perth zuidwaarts langs de kust tot Esperance, landinwaarts nog tot Gingin en Mooliabeenee maar verder naar binnen snel schaarser: het grootste deel van de vogels zit binnen honderd kilometer van de kust. Buiten dat hoekje van het continent komt hij nergens voor, dus ook niet elders in Australië, niet in Tasmanië, niet in Nieuw-Zeeland en niet op Norfolkeiland.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek een marribos in de Perth Hills, in het Dryandra-bos of rond Margaret River en kijk omhoog naar de vruchtdozen: een roodkapparkiet die met één poot een marri-noot vasthoudt en er met zijn haaksnavel in zit te wrikken, is minutenlang stil op dezelfde plek bezig. Het raspende kroek-rak van een overvliegende vogel is het startsein. Een tuin of park in de zuidwestelijke steden met een oude marri erin geeft je hem het gemakkelijkst van dichtbij.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een populatie die eerder toe- dan afneemt. Dat is niet altijd zo geweest: doordat hij ook aan appels en peren gaat, werd hij decennialang als schadelijk aangemerkt en op grote schaal afgeschoten, met premies en al. Die vervolging is gestopt en hij is nu beschermd; de internationale handel valt onder CITES-bijlage II, zodat vogels uit het wild niet zomaar verhandeld kunnen worden. De blijvende zorg is het bos zelf: hij is voor zijn voedsel bijna volledig afhankelijk van de marri, en het kappen van marri-opstanden, het verlies van oude holle bomen en de sterfte van eucalyptus door de wortelschimmel Phytophthora in het zuidwesten knagen aan de basis van zijn bestaan. In tuinen en boomgaarden profiteert hij dan weer van aangeplante bomen.
Wetenschappelijke naam
Purpureicephalus spurius | (Kuhl, 1820)
Heinrich Kuhl beschreef de soort in 1820 als Psittacus spurius, naar een onvolwassen vogel die de expeditie van Baudin tussen 1801 en 1803 bij Albany in West-Australië verzamelde; Albany is dus de typelocatie. Het Latijnse spurius betekent 'onecht, onwettig' en slaat erop dat het groene jeugdkleed zo weinig op het kleed van de volwassen vogel lijkt dat Kuhl dacht met een afwijkend exemplaar te maken te hebben. Bonaparte voerde in 1854 het geslacht Purpureicephalus in, uit het Latijnse purpureus 'purper' en het Griekse kephalē 'hoofd'; de naam wordt daarom wel als 'onechte purperkop' gelezen. Omdat de soort uit Psittacus is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. In West-Australië zelf heet hij in de volksmond 'king parrot' of 'hookbill'.



