Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Port Lincoln-parkiet
Port Lincoln-parkiet | Barnardius zonarius
Australian Ringneck | Loro de Port Lincoln
De Port Lincoln-parkiet is de grote groene parkiet van het droge Australische binnenland, in vier vormen die er zo verschillend uitzien dat ze lang als aparte soorten golden. Wat ze delen is een heldergele band dwars over de nek — de ring waaraan de soort haar Engelse naam dankt — en een lange, brede staart. De twee westelijke vormen hebben een zwarte kop, de twee oostelijke een groene.
Geluid
Het gewone geluid is een vol, klokkend kwink-kwink-kwink-kwink of kling-kling, dat over een halve kilometer droog open bos draagt en meestal in de vlucht klinkt. Daarnaast een zacht gebabbel tussen vogels die samen eten en een schel alarm bij een havik. De zuidwestelijke vorm heeft een contactroep die als twenty-eight klinkt en hem in Australië zijn bijnaam heeft opgeleverd.
Opname: Raymond Bosman — CC BY-NC-SA 4.0 · Jarrahdale, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een forse, langgestaarte parkiet van gemiddeld ruim vijfendertig centimeter, veel groter en effener gekleurd dan enige rosella: de rug is eenkleurig groen tot blauwgroen zonder geschubde tekening. Over de nek loopt bij alle vormen een scherpe gele band. De port-lincolnvorm heeft een dofzwarte kop, blauwgroene keel en borst en een gele buik; de zuidwestelijke vorm is gelijk maar heeft een groene buik en een opvallende karmijnrode voorhoofdsband. De mallee-vorm heeft juist een groene kruin en nek met een blauwe wang, een donker blauwzwarte rug, een rode voorhoofdsband en een oranjegele buikband; de Cloncurryvorm is overal bleekgroen, zonder rode band en met een brede, egaal lichtgele buikband. De vlucht is snel en sterk golvend.
Verwarringssoorten
Alle vier rosella's van deze gids hebben een zwart met kleur geschubde mantel en die heeft de Port Lincoln-parkiet niet — dat is het snelste onderscheid. In het zuidwesten is de stanleyrosella (Platycercus icterotis) de buur: veel kleiner, met een gele wangvlek en een geschubde rug, en zonder gele nekband. In het noordwesten van Queensland ontmoet de bleke Cloncurryvorm de zwartkoprosella (Platycercus venustus), die een zwarte kruin heeft en fijn geschubde gele onderdelen. De roodkapparkiet (Purpureicephalus spurius) van het zuidwesten heeft een purperrode kruin en een lange puntige snavel. De roodvleugelparkiet (Aprosmictus erythropterus) is eveneens groen maar heeft een groot rood vleugelveld en mist de nekband.
Leefgebied
Open eucalyptusbos en bomenrijen langs kreken vormen de kern, en daaromheen mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië), mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) en ander acaciastruweel, licht beboomde vlakten en, in het zuidwesten, echt bos van marri en jarrah. Hij past zich goed aan: akkerranden, weiland met verspreide bomen, wegbermen, parken en tuinen worden alle gebruikt, en in Perth en Kalgoorlie is hij een gewone stadsvogel. Hij eet vooral op de grond — zaden, en daarnaast vruchten, bloesem, nectar en insecten — in de ochtend en late namiddag, en nestelt in boomholten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch in Australië en verspreid over vrijwel het hele droge en halfdroge binnenland. De port-lincolngroep bezet het centrale en westelijke aride gebied, van de Eyre Peninsula in Zuid-Australië door de Nullarbor tot heel West-Australië; de malleegroep zit in het aride Noordelijk Territorium, noordwestelijk Queensland en binnenlands oostelijk Australië. Aan de oostkust en in het uiterste tropische noorden ontbreekt hij, en op Nieuw-Zeeland komt hij niet voor; rond Sydney en de Central Coast van Nieuw-Zuid-Wales gaat het om ontsnapte kooivogels.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in het binnenland langs een kreek met oude rode gombomen en stop bij elke bomenrij: de vogels zitten stil in de kruin tot ze met hun klokkende kwink-kwink wegvliegen, waarbij de gele nekband en de lange staart meteen opvallen. Kijk bij elke vogel of de buik geel of groen is en of er een rode voorhoofdsband is — daarmee ligt de vorm vast. In Perth volstaat een stadspark.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Het areaal is enorm, de soort komt in bijna elk droog landschapstype voor en heeft van aangelegde drinkwatervoorzieningen voor vee geprofiteerd. Plaatselijk is er wel druk: de zuidwestelijke vorm verliest in West-Australië nestholten aan ingevoerde regenbooglori's, en in boomgaarden en op graan wordt de soort als plaag bestreden. Verkeersslachtoffers op binnenlandse wegen zijn talrijk, doordat hij graag gemorst graan van de berm oppikt. De soort staat op bijlage II van CITES.
Wetenschappelijke naam
Barnardius zonarius | (Shaw, 1805)
Shaw beschreef de soort in 1805 als Psittacus zonarius, in The Naturalist's Miscellany bij een plaat van Nodder; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. zonarius betekent 'met een gordel', naar de gele nekband. Het geslacht Barnardius werd in 1854 ingevoerd door Bonaparte en is vernoemd naar Edward Barnard, de Britse koloniale agent-generaal voor de Australische koloniën en verzamelaar. De typelocatie is Memory Cove bij Port Lincoln op de Eyre Peninsula in Zuid-Australië, waar Robert Brown het exemplaar verzamelde tijdens Flinders' reis met de Investigator; daaraan dankt de Nederlandse gidsnaam haar plaatsnaam. Er worden vier ondersoorten onderscheiden: zonarius, semitorquatus, barnardi en macgillivrayi.





