Alle soorten › Zangvogels › Elfjes › Oostelijke grassluiper

Oostelijke grassluiper | Amytornis modestus

Thick-billed Grasswren | Maluro picogordo

De oostelijke grassluiper is de tweelingsoort van de westelijke grassluiper: dezelfde vale, grijsbruine vogel met de opvallend zware snavel en de lange, vaak rechtop gedragen staart, maar dan van de chenopodenvlakten van het centrale en oostelijke binnenland. Het is een vogel die liever rent dan vliegt; hij schiet als een muis van saltbushstruik (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten) naar saltbushstruik en laat zich zelden langer dan een seconde in het open veld zien. Pas op grond van genetisch en morfologisch werk uit de jaren 2010 kreeg hij zijn eigen soortstatus terug, en die splitsing is zo recent dat veel databanken hem nog altijd onder Amytornis textilis wegzetten. Wie hem wil zien, moet vroeg op en geduldig zijn.

Oostelijke grassluiper (Amytornis modestus)
Foto: Scott Williams — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Grassluipers zijn zachte zangers en de oostelijke is daarop geen uitzondering. De zang is een kort, hoog, ratelend-reutelend strofetje dat met korte tussenpozen herhaald wordt en over de vlakte nauwelijks twintig of dertig meter draagt. Daarnaast is er een ijl, hoog contactgeluid tussen de leden van een groepje, zo dun dat het voor menig menselijk oor half of helemaal wegvalt. Opvallend genoeg verschilt de zang aantoonbaar tussen de ondersoorten, en vogels reageren sterker op de strofe van de eigen ondersoort dan op die van een naburige — een aanwijzing dat de versnippering van deze soort ook akoestisch diep zit. In de praktijk is het eerste wat je hoort meestal geen zang maar geritsel in de saltbush.

Luister: ZangXC1024920

Opname: Gregor Smith — CC BY-NC-SA 4.0 · Anna Creek, Pastoral Unincorporated Area, South Australia, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een forse grassluiper van zeventien tot twintig centimeter, waarvan een flink deel staart, met een gewicht van rond de twintig gram. De bovendelen zijn dof grijsbruin, kop en mantel zijn grof wit gestreept, de onderdelen zijn bleker en vaalbruin. De lange, donkerbruine staart wordt bij opwinding rechtop gedragen. Het meest kenmerkende onderdeel is de snavel: kort, hoog en zwaar, grijs van kleur, veel dikker dan bij welke andere grassluiper ook — vandaar de Engelse naam thick-billed grasswren. Oog donkerbruin, poten en snavel donkergrijs. Het verschil tussen de seksen is subtiel: vrouwtjes hebben een roestbruine vlek op de flank, mannetjes hebben ongetekende flanken. De vogel is gecamoufleerd tegen de grijsgroene chenopoden; een vogel die niet roept of beweegt, valt nauwelijks op.

Verwarrings­soorten

Het eerlijke antwoord is dat deze soort in het veld niet betrouwbaar van de westelijke grassluiper (Amytornis textilis) te scheiden is. De twee zijn even vaal, even langstaartig, hebben dezelfde zware snavel en zelfs dezelfde vleugellengte tot op de tiende millimeter nauwkeurig. Het onderscheid berust volledig op gebied: de westelijke grassluiper zit in West-Australië en op het Eyre-schiereiland en in de Gawler Ranges van Zuid-Australië, deze soort in het centrale en oostelijke binnenland — het Lake Eyre-bekken van Zuid-Australië, het uiterste noordwesten van Nieuw-Zuid-Wales en een restpopulatie in het zuiden van het Noordelijk Territorium. Er is geen bekende overlapzone, dus in de praktijk beslist de kaart. De kortstaartgrassluiper (Amytornis merrotsyi) van de Flinders en Gawler Ranges is kleiner, duidelijk korter van staart en veel roder van toon, en zit op rotsige hellingen met spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) in plaats van op vlakke chenopodenbodem. Alle grassluipers van de spinifex — gestreepte, doffe en verwante soorten — zijn contrastrijker getekend, hebben een fijnere snavel en delen het leefgebied niet. Staat de vogel in lage saltbush of bluebush (blauwgrijs zoutstruweel van het halfwoestijnachtige binnenland) op een vlakte of langs een afwateringsgeul, dan is er in dat deel van Australië maar één kandidaat.

Leefgebied

Laag chenopodenstruweel is de kern van het verhaal: vlakten met saltbush (Atriplex) en bluebush (Maireana), vooral waar de struiken hoger en dichter staan dan in de omgeving. Dat zijn in de regel de laagtes — afwateringsgeulen, uitstroomvlakken en overstromingsvlaktes waar na regen net iets meer water blijft hangen. Daarnaast wordt de soort gevonden in rietgras (Zygochloa paradoxa) en in het opgehoopte vloedafval langs droge, zandige kreekbeddingen, waar dat afval dekking en nestgelegenheid biedt. Veel van dat terrein ligt op gibbervlakte (steenwoestijn met een dek van gepolijste keien): steenpuinvlakten met een dunne laag chenopoden erop. De constante factor is niet de plantensoort maar de structuur — dicht, laag, doorlopend struweel waarin een vogel die niet wil vliegen zich rennend kan verplaatsen. Waar begrazing de struiklaag heeft opengemaakt, verdwijnt de soort.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in het Australische binnenland, in een versnipperd patroon rond het Lake Eyre-bekken in Zuid-Australië, met uitlopers naar het uiterste noordwesten van Nieuw-Zuid-Wales en een kleine, geïsoleerde populatie bij Charlotte Waters in het zuiden van het Noordelijk Territorium. Van oorsprong werden zeven ondersoorten onderscheiden; twee daarvan zijn uitgestorven, waaronder de nominaatvorm van de MacDonnell Ranges. Omdat de vogel nauwelijks vliegt, staan de overgebleven populaties genetisch grotendeels los van elkaar. Hij wordt weinig gemeld voor een vogel met zo'n groot areaal.

  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in het eerste uur na zonsopgang, als de vogels actief zijn en het nog stil is, en loop langzaam langs een afwateringsgeul waar de bluebush kniehoog of hoger staat — de omgeving van Lake Eyre South en de vlakten tussen Marree en Lyndhurst zijn klassiek. Jaag niet achter een wegrennende vogel aan, want dat verlies je altijd. Ga in plaats daarvan stil staan op een plek waar je net beweging zag en wacht een paar minuten: grassluipers zijn nieuwsgierig en wippen vaak vanzelf even boven op een struik om te kijken wie daar staat. Dat ene moment is je waarneming.

Staat van instandhouding

Wereldwijd staat de soort bij de IUCN als niet bedreigd (LC), maar die categorie verhult een onrustig verhaal. Nationaal is hij onder de Australische EPBC-wet als kwetsbaar aangemerkt, in Nieuw-Zuid-Wales als ernstig bedreigd, en de noordwestelijke ondersoort in het Noordelijk Territorium geldt daar als ernstig bedreigd met minder dan vijftig volwassen vogels op vier vindplaatsen. Twee van de zeven beschreven ondersoorten zijn al verdwenen, en een analyse uit 2018 plaatste deze soort op de achtste plaats in de lijst van Australische vogels met de grootste kans om uit te sterven. De oorzaak is steeds dezelfde: begrazing door vee en konijnen die de lage struiklaag uitdunt, in combinatie met droogte en te frequente brand. Waar de chenopodenstruiklaag dicht blijft, houdt de vogel stand.

Wetenschappelijke naam

Amytornis modestus | (North, 1902)

Alfred John North beschreef de soort in 1902 als Amytis modesta; omdat ze nu in Amytornis staat, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De geslachtsnaam Amytornis combineert Amytis, een Medische prinses uit de oudheid, met het Griekse ornis, vogel; Leonhard Stejneger voerde hem in 1885 in als vervanging voor Lessons Amytis (1831), omdat die naam al voor een geslacht van borstelwormen in gebruik was. De soortnaam modestus betekent bescheiden of onopvallend, en dat is voor een keer een raak gekozen epitheton: zowel het verenkleed als het gedrag van deze vogel is een studie in terughoudendheid. De Nederlandse naam spiegelt bewust die van de westelijke grassluiper: oostelijk tegenover westelijk, omdat het areaal het enige is wat de twee scheidt.