Alle soorten › Zangvogels › Prieelvogels › Okerbuikprieelvogel

Okerbuikprieelvogel | Chlamydera cerviniventris

Fawn-breasted Bowerbird | Pergolero pechipardo

De okerbuikprieelvogel is de enige prieelvogel van zijn geslacht zonder lila nekkraag, en de enige die zijn prieel bijna uitsluitend met groen versiert: verse bladeren en groene besjes, die dagelijks worden vervangen zodra ze verwelken. Het areaal ligt vrijwel geheel in Nieuw-Guinea; in Australië beperkt het zich tot de noordoostpunt van Kaap York.

Okerbuikprieelvogel (Chlamydera cerviniventris)
Foto: terathopius — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Bij het prieel een hard, schrapend geluid: sissen, ratelen en een knerpend geknor, afgewisseld met korte, hese roepen. Ook deze soort bootst na, zij het minder uitbundig dan de binnenlandsoorten; vooral andere vogels van het lianenstruweel en van de savannerand. De contactroep is een kort, nasaal geluid dat door het struweel draagt.

Luister: RoepXC757389

Opname: nick talbot — CC BY-NC-SA 4.0 · Portland Roads, Queensland, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een grijsbruine prieelvogel van 28 tot 32 centimeter, van boven bezaaid met okerkleurige tot roomwitte vlekken op een donkere ondergrond, met een donkere, licht gespikkelde kruin. Het doorslaggevende kenmerk zit op de onderzijde: borst, flanken en buik zijn warm okerbruin tot hertkleurig, terwijl alle andere soorten van het geslacht daar grijs of bleek beige zijn. Even doorslaggevend is wat ontbreekt: deze soort draagt geen lila-roze nekkraag, bij geen van beide geslachten. Man en vrouw zijn niet uit elkaar te houden. De snavel is stevig en donker, de staart lang.

Verwarrings­soorten

De grijze prieelvogel (Chlamydera nuchalis) is de enige verwant waarmee hij het areaal deelt — beide komen op Kaap York voor — maar die is groter, langer van staart, veel effener grijs, grijs in plaats van oker op de onderdelen, en het mannetje draagt de lila nekkraag. De grijsnekprieelvogel (Chlamydera maculata) leeft veel zuidelijker en heeft eveneens de nekkraag en bleke onderdelen. Wie twijfelt, kijkt naar het prieel: de uitstalling van deze soort bestaat vrijwel alleen uit groene bladeren en besjes, terwijl de andere soorten vooral wit, grijs en glimmend verzamelen.

Leefgebied

De overgangszone tussen bos en open land: moessonbos en lianenstruweel, struweel langs kreken, de randen van de eucalyptussavanne, en opvallend vaak de landzijde van mangrove en de verruigde begroeiing rond tuinen en dorpen. Het prieel staat in dicht struweel, vaak op een flink platform van takken dat de hele constructie van de grond tilt — dat platform is bij deze soort forser dan bij de verwanten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het grootste deel van het areaal ligt in Nieuw-Guinea, in het zuiden en oosten van dat eiland, met inbegrip van de kustvlakten en de nabijgelegen eilanden. In Australië alleen het noordoosten van Kaap York in Queensland, ongeveer van de Iron Range noordwaarts tot de punt van het schiereiland. Standvogel zonder trek; de Australische populatie is klein en volledig van het Nieuw-Guinese areaal afgeleid.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In Australië is dit een soort voor wie doorrijdt tot het uiterste noorden van Kaap York. Zoek langs de randen van lianenstruweel en struweel naar het prieel, dat door het verse groen vaak opvalt tegen de bruine strooisellaag. Let bij een vogel in het veld op de buik: warm oker betekent deze soort, grijs betekent de grijze prieelvogel. De nekkraag hoeft niet te worden gezocht, want die is er niet.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een groot areaal in Nieuw-Guinea waar de soort algemeen is en in dorpsranden en tuinen goed gedijt. De Australische populatie is klein en ligt aan de rand van dat areaal; ze is niet apart bedreigd, maar hangt af van de kleine oppervlakten lianenstruweel op Kaap York, die gevoelig zijn voor vuur uit de omringende savanne en voor vertrapping door vee en verwilderde varkens.

Wetenschappelijke naam

Chlamydera cerviniventris | Gould, 1850

Gould beschreef de soort in 1850, met Kaap York in noordelijk Queensland als typelocatie; auteur en jaartal staan zonder haakjes, want het geslacht is sindsdien niet veranderd. Chlamydera is gevormd uit het Griekse chlamys, 'mantel', en dere, 'hals', naar de nekkraag van de verwanten — die deze soort juist mist. cerviniventris is Latijn: cervinus, 'hertkleurig', en venter, 'buik'. De Nederlandse, Engelse en Spaanse naam wijzen alle drie op diezelfde okerkleurige onderzijde.