Alle soorten › Zangvogels › Brilvogels › Mangrovebrilvogel
Mangrovebrilvogel | Zosterops luteus
Canary White-Eye | Anteojitos australiano
De mangrovebrilvogel is het gele stipje van de noordelijke getijdenbossen: geel van keel tot onderstaartdekveren, met een witte ring om het oog, en vrijwel nooit verder dan een paar honderd meter van de mangrove waaraan hij zijn Nederlandse naam dankt. Het is de kleinste en lichtste brilvogel in deze gids, en hij is binnen zijn leefgebied niet met iets anders te verwarren — zolang men zich realiseert dat het geel over de hele onderkant doorloopt en niet alleen op de keel zit.
Geluid
Een hoog, fijn en ijl tsie als contactroep, onafgebroken herhaald terwijl een groepje van vijf tot twintig vogels zich door het bladerdek van de mangrove werkt; dat aanhoudende gepiep is doorgaans het eerste wat men van de soort merkt, want het verraadt de groep lang voordat er een vogel te zien is. De zang is een zacht, snel en wat haastig gekwetter van dunne tonen, te horen in de vroege ochtend en op korte afstand; hij draagt slecht en verdwijnt volledig onder het geluid van de honingeters die dezelfde mangrove bewonen. Bij verstoring klinkt een scherper, harder tsjiet. Omdat de soort vrijwel altijd in groepjes rondtrekt, is het geluid vaker een koor dan een enkele vogel.
Opname: Dezmond Wells — CC BY-NC-SA 3.0 · Pungalina-Seven Emu Swamp, Calvert, Northern Territory, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een piepklein, kort en compact vogeltje van elf tot twaalf centimeter en nog geen tien gram, met een fijne, spitse donkere snavel en grijze poten. De bovendelen zijn helder geelgroen; de onderdelen zijn effen, verzadigd geel van keel over borst en buik tot aan de onderstaartdekveren, zonder wit of grijs middenveld en zonder bruin op de flank. Rond het oog ligt een smalle, scherpe ring van korte witte veertjes, die tegen het gele gezicht opvallend afsteekt. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer geel en hebben een smallere oogring. De vogel beweegt zich snel en onrustig door de kroon, hangt regelmatig ondersteboven aan een blad, en blijft zelden meer dan enkele seconden op dezelfde tak.
Verwarringssoorten
De grijsrugbrilvogel (Zosterops lateralis) is de eerste die in beeld komt waar de arealen elkaar raken: die heeft een grijze rug tussen groene kop en vleugel, een wit tot vuilgrijs middenveld op de buik en beige tot kastanjebruine flanken, en is dus van onderen nooit helemaal geel. De citroenbrilvogel (Zosterops citrinella) van de rifeilanden en de Straat Torres heeft wel een gele keel maar een witte tot vuilgrijze borst en buik; bij die soort houdt het geel dus halverwege op, en juist dat is het onderscheid. De dunsnavelbrilvogel (Zosterops tenuirostris) leeft uitsluitend op Norfolk en komt hier niet voor. Binnen de mangrove zelf is de witbrauwmangrovezanger (Gerygone levigaster) grijs met een witte wenkbrauwstreep en zonder oogring, en de zwartstaartfluiter (Pachycephala melanura) veel groter met een zwarte kop. Doorslaggevend is dat het geel bij deze soort ononderbroken van kin tot staart doorloopt.
Leefgebied
Mangrove, en daarbuiten vrijwel niets: de vogel bewoont de gesloten getijdenbossen van de noordkust over hun hele breedte, van de zeewaartse rand tot de landwaartse overgang, en foerageert in de kroon en in het middendeel van de bomen. Aansluitend gebruikt hij de vegetatie die direct aan de mangrove grenst — melaleucamoerasbos langs getijdenkreken, moessonbos en lianenstruweel op de oeverwal, en struweel op de zoutkwelderrand — maar vrijwel altijd binnen gehoorsafstand van het getijdenbos zelf. Landinwaarts gelegen bos, hoe geschikt van structuur ook, wordt niet bezet. Die strikte binding maakt de verspreidingskaart van de soort tot een vrijwel exacte afdruk van de mangrovegordel van Noord-Australië.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
De noordkust van Australië, van Shark Bay in West-Australië noordwaarts langs de Pilbara- en Kimberleykust, over het Noordelijk Territorium en de kusten van de Golf van Carpentaria tot in het westen van Kaap York. De soort is endemisch in Australië en komt op Nieuw-Guinea niet voor. Er is geen trek en er zijn geen seizoensverplaatsingen van betekenis: groepjes blijven het hele jaar in dezelfde mangrovestrook en verplaatsen zich hooguit over enkele kilometers langs de kust. Binnen dat lange, smalle areaal worden twee vormen onderscheiden, een westelijke en een noordelijke, die in kleurverzadiging licht verschillen maar in het veld niet uit elkaar te houden zijn.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop bij laagwater een pad of een houten vlonder de mangrove in en blijf staan luisteren; het aanhoudende hoge gepiep van een groepje is op vijftig meter te horen en de vogels komen vaak vanzelf langs. Kijk in de kroonlaag en niet naar de wortels, want deze soort werkt het blad af en zit zelden laag. De beste uren zijn de eerste twee na zonsopgang, vóór de hitte en voordat de muggen de waarnemer wegjagen. Let bij elke waarneming op de buik en niet op de keel: geel op de keel hebben drie brilvogels, geel tot onder de staart maar één.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): de soort is over de hele noordkust van Australië wijdverspreid en in geschikte mangrove talrijk, en het grootste deel van dat leefgebied ligt afgelegen en wordt nauwelijks gebruikt. Daar staat tegenover dat de soort zo strikt aan één vegetatietype gebonden is dat haar lot volledig aan het lot van de mangrove hangt. Aantasting is er vooral lokaal, bij havens, mijnbouwterminals en stadsuitbreiding aan de noordkust, waar getijdenbos wordt opgeruimd of achter dammen komt te liggen. Op de langere termijn spelen twee dingen: de zeespiegelstijging, die mangrove alleen kan opvangen als het bos landinwaarts kan opschuiven en niet tegen dijken of bebouwing aanloopt, en de massale mangrovesterfte die in 2015 en 2016 langs de Golf van Carpentaria optrad na een samenloop van extreme hitte en een tijdelijke daling van het zeeniveau. De soort vraagt daarmee geen eigen beheer, maar wel dat de mangrovegordel als geheel intact en verplaatsbaar blijft.
Wetenschappelijke naam
Zosterops luteus | Gould, 1843
Gould beschreef de vogel in 1843 naar materiaal van Greenhill Island in de Van Diemensgolf, ten noorden van het Noordelijk Territorium; omdat de soort nog steeds in het geslacht staat waarin zij is beschreven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het epitheton luteus is Latijn voor 'saffraangeel' en benoemt de kleur van de onderdelen. Het geslacht Zosterops werd in 1827 door Vigors en Horsfield ingevoerd, naar het Griekse zoster, 'gordel', en ops, 'oog', naar de witte ring rond het oog. De namen lopen hier uiteen: de Nederlandse naam mangrovebrilvogel en de Spaanse anteojitos australiano kiezen het leefgebied en het werelddeel, terwijl de Engelse naam Canary White-Eye de kleur neemt en de oudere Engelse naam Yellow White-Eye hetzelfde deed. Alle drie de invalshoeken zijn raak, want deze vogel is zowel de gele als de mangrovegebonden brilvogel van Australië.


