Alle soorten › Zangvogels › Brilvogels › Grijsrugbrilvogel

Grijsrugbrilvogel | Zosterops lateralis

Silvereye | Anteojitos dorsigrís

De grijsrugbrilvogel is de kleinste alledaagse zangvogel van Australië en Nieuw-Zeeland, en in beide landen een tuinvogel: een groen vogeltje van een centimeter of elf met een dikke witte ring om het oog en een dun, klagend geluid. Nieuw-Zeeland heeft hij zelf gekoloniseerd, in de jaren vijftig van de negentiende eeuw, en dat zit in de Maori-naam tauhou, 'nieuwkomer'.

Grijsrugbrilvogel (Zosterops lateralis)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het contactgeluid is een dun, aanhoudend psiep dat een troepje voortdurend laat horen, en in de vlucht een kort kli-kli. Daarnaast is er een klagend, oplopend krieee dat over een tuin heen draagt. De zang is een zacht, lang aangehouden vloeiend gekwetter met warrelende overgangen, het best te horen in de vroege ochtend van augustus tot november; hij lijkt op die van de heggenmus en houdt lang aan.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC717687

Opname: Richard Fuller — CC0 · Carindale, Brisbane City, Queensland, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een vogeltje van tien tot twaalf centimeter met een olijfgroene kop en vleugel, een fijne donkere snavel en een brede ring van witte veertjes om het oog. Het kleed verschilt per streek: vogels van het oosten en van Nieuw-Zeeland hebben een grijze rug tussen de groene kop en vleugel, die van Zuidwest-Australië zijn overwegend groen. Tasmaanse vogels hebben kastanjebruine flanken en een grijze keel, de broedvogels van de oostkust een gele keel en lichtbeige flanken. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn valer en hebben een smallere oogring.

Verwarrings­soorten

De citroenbrilvogel (Zosterops citrinella) van de rifeilanden en de Straat Torres is witgrijs op borst en buik en heeft geen bruin op de flank. De mangrovebrilvogel (Zosterops luteus) van de noord- en westkust is helemaal geel van onderen. Op Norfolk zit de dunsnavelbrilvogel (Zosterops tenuirostris), forser en met een langere, slankere snavel. Bij twijfel telt de flank: kastanje of beige wijst op de grijsrugbrilvogel.

Leefgebied

Vrijwel elk begroeid terrein: tuinen, stadsparken en boomgaarden, droog eucalyptusbos, manuka- en matagouristruweel en podocarpen-loofbos in Nieuw-Zeeland. Hij heeft alleen struiklaag en bloeiende of vruchtdragende planten nodig en volgt die door het jaar heen. In de winter komt hij tot in de binnensteden en aan de voedertafel.

Verspreiding en trek

In Australië van Kaap York langs de oostkust naar het zuiden, door Tasmanië en langs de zuidkust tot Shark Bay in West-Australië; in Nieuw-Zeeland op beide hoofdeilanden en op vrijwel elk begroeid eiland eromheen, van de Kermadecs tot Campbell Island, en op Norfolk en de Chathams. Het grootste deel van de Tasmaanse vogels steekt in maart en april de Straat Bass over en overwintert op het vasteland tot in Queensland; in de lente keren ze terug.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zet in de winter een schaal met stukjes appel of een suikerwaterhouder in de tuin en wacht: de troep komt binnen een dag en blijft dan komen. In het bos hoor je hem eerder dan je hem ziet; volg het dunne psiep naar boven en zoek de beweging in de buitenste twijgen. Kijk bij elke vogel naar rug en flank, want die twee vlakken vertellen uit welke streek hij komt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), en in Nieuw-Zeeland geldt hij als 'niet bedreigd' met inheemse status, omdat hij het land op eigen vleugels bereikte. Hij is een van de talrijkste vogels van beide landen en profiteert van tuinen, hagen en uitheemse vruchtbomen. In wijngaarden en boomgaarden richt hij schade aan druiven en zacht fruit aan; daar wordt met netten gewerkt in plaats van met bestrijding.

Wetenschappelijke naam

Zosterops lateralis | (Latham, 1801)

Latham beschreef de vogel in 1801 als Sylvia lateralis; omdat hij later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Zosterops werd in 1827 ingevoerd door Vigors en Horsfield, naar het Griekse zoster, 'gordel', en ops, 'oog'. lateralis is Latijn voor 'van de zijde', naar de gekleurde flank. De typelocatie is Nieuw-Zuid-Wales. De Maori-naam tauhou betekent 'vreemdeling' of 'nieuwkomer'.