Alle soorten › Zangvogels › Brilvogels › Grijsrugbrilvogel
Grijsrugbrilvogel | Zosterops lateralis
Silvereye | Anteojitos dorsigrís
De grijsrugbrilvogel is de kleinste alledaagse zangvogel van Australië en Nieuw-Zeeland, en in beide landen een tuinvogel: een groen vogeltje van een centimeter of elf met een dikke witte ring om het oog en een dun, klagend geluid. Nieuw-Zeeland heeft hij zelf gekoloniseerd, in de jaren vijftig van de negentiende eeuw, en dat zit in de Maori-naam tauhou, 'nieuwkomer'.
Geluid
Het contactgeluid is een dun, aanhoudend psiep dat een troepje voortdurend laat horen, en in de vlucht een kort kli-kli. Daarnaast is er een klagend, oplopend krieee dat over een tuin heen draagt. De zang is een zacht, lang aangehouden vloeiend gekwetter met warrelende overgangen, het best te horen in de vroege ochtend van augustus tot november; hij lijkt op die van de heggenmus en houdt lang aan.
Opname: Richard Fuller — CC0 · Carindale, Brisbane City, Queensland, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een vogeltje van tien tot twaalf centimeter met een olijfgroene kop en vleugel, een fijne donkere snavel en een brede ring van witte veertjes om het oog. Het kleed verschilt per streek: vogels van het oosten en van Nieuw-Zeeland hebben een grijze rug tussen de groene kop en vleugel, die van Zuidwest-Australië zijn overwegend groen. Tasmaanse vogels hebben kastanjebruine flanken en een grijze keel, de broedvogels van de oostkust een gele keel en lichtbeige flanken. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn valer en hebben een smallere oogring.
Verwarringssoorten
De citroenbrilvogel (Zosterops citrinella) van de rifeilanden en de Straat Torres is witgrijs op borst en buik en heeft geen bruin op de flank. De mangrovebrilvogel (Zosterops luteus) van de noord- en westkust is helemaal geel van onderen. Op Norfolk zit de dunsnavelbrilvogel (Zosterops tenuirostris), forser en met een langere, slankere snavel. Bij twijfel telt de flank: kastanje of beige wijst op de grijsrugbrilvogel.
Leefgebied
Vrijwel elk begroeid terrein: tuinen, stadsparken en boomgaarden, droog eucalyptusbos, manuka- en matagouristruweel en podocarpen-loofbos in Nieuw-Zeeland. Hij heeft alleen struiklaag en bloeiende of vruchtdragende planten nodig en volgt die door het jaar heen. In de winter komt hij tot in de binnensteden en aan de voedertafel.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
In Australië van Kaap York langs de oostkust naar het zuiden, door Tasmanië en langs de zuidkust tot Shark Bay in West-Australië; in Nieuw-Zeeland op beide hoofdeilanden en op vrijwel elk begroeid eiland eromheen, van de Kermadecs tot Campbell Island, en op Norfolk en de Chathams. Het grootste deel van de Tasmaanse vogels steekt in maart en april de Straat Bass over en overwintert op het vasteland tot in Queensland; in de lente keren ze terug.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zet in de winter een schaal met stukjes appel of een suikerwaterhouder in de tuin en wacht: de troep komt binnen een dag en blijft dan komen. In het bos hoor je hem eerder dan je hem ziet; volg het dunne psiep naar boven en zoek de beweging in de buitenste twijgen. Kijk bij elke vogel naar rug en flank, want die twee vlakken vertellen uit welke streek hij komt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), en in Nieuw-Zeeland geldt hij als 'niet bedreigd' met inheemse status, omdat hij het land op eigen vleugels bereikte. Hij is een van de talrijkste vogels van beide landen en profiteert van tuinen, hagen en uitheemse vruchtbomen. In wijngaarden en boomgaarden richt hij schade aan druiven en zacht fruit aan; daar wordt met netten gewerkt in plaats van met bestrijding.
Wetenschappelijke naam
Zosterops lateralis | (Latham, 1801)
Latham beschreef de vogel in 1801 als Sylvia lateralis; omdat hij later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Zosterops werd in 1827 ingevoerd door Vigors en Horsfield, naar het Griekse zoster, 'gordel', en ops, 'oog'. lateralis is Latijn voor 'van de zijde', naar de gekleurde flank. De typelocatie is Nieuw-Zuid-Wales. De Maori-naam tauhou betekent 'vreemdeling' of 'nieuwkomer'.




