Alle soorten › Zangvogels › Kwartellijsters › Koperrugkwartellijster

Koperrugkwartellijster | Cinclosoma clarum

Copperback Quail-Thrush | Zordala cobriza

De koperrugkwartellijster is de westelijke helft van een soort die tot voor kort als één werd geteld. Hij loopt door mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) en acaciastruweel van West-Australië en het westen van Zuid-Australië, met een rug die in de ochtendzon eerder koperkleurig dan kastanjebruin oplicht — vandaar zijn naam. Wie de kaart niet kent, ziet hier eenvoudigweg een roodrugkwartellijster.

Koperrugkwartellijster (Cinclosoma clarum)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zeer hoge, dunne reeks wiet-wiet-wiet, langzaam afgegeven en op één hoogte gehouden, en daarnaast een nog hoger, insectachtig sie-sie dat men eerder voelt dan hoort. Beide geluiden komen van de grond of van een lage tak en zijn niet te peilen. Het mannetje roept in de eerste uren na zonsopgang en opnieuw kort voor het donker; in de hitte van de dag zwijgt de vogel. Er zijn geen betrouwbaar beschreven roepverschillen met de roodrugkwartellijster, en dit is dus geen determinatiesleutel — al wordt dat regelmatig gesuggereerd.

Luister: ZangXC929308

Opname: Louis Masarei — CC BY-NC-SA 4.0 · Mount Gibson Sanctuary, Western Australia, Australia · xeno-canto

Herkenning

Eenentwintig tot vierentwintig centimeter: een stevige, kortvleugelige grondvogel met een lange, wit getipte staart en krachtige poten. Het mannetje heeft een grijze kruin en nek, een warm koperbruine tot roodbruine mantel en rug, een scherpe witte wenkbrauwstreep, een zwarte keel met een witte vlek erop, en een zwarte borst die scherp tegen de witte buik afsteekt; de flanken zijn zwart met witte strepen. Het vrouwtje heeft een grijze in plaats van zwarte keel en borst, een beige wenkbrauwstreep en een valere, meer bruingrijze rug. De koperkleurige glans op de rug is het kenmerk waarnaar de soort genoemd is, maar bij dof licht en bij sleetse veren is die glans er eenvoudigweg niet.

Verwarrings­soorten

Dit is het duidelijkste geval in het complex waarin veldherkenning zonder bekend areaal niet mogelijk is. Cinclosoma castanotum, de roodrugkwartellijster, is even groot, even zwaar en vrijwel gelijk getekend; het enige verschil dat wordt aangevoerd is de tint van de rug, koper- tot roodbruin bij deze soort tegen dieper kastanjebruin bij castanotum, en dat verschil is in het veld onbruikbaar zodra het licht of de veerslijtage meespeelt. Beide soorten zijn pas na moleculair onderzoek gescheiden en worden door de Eyrean Barrier — de Spencergolf en de Nullarbor — uiteengehouden: castanotum zit ten oosten daarvan, deze soort ten westen. De westelijke kwartellijster (Cinclosoma marginatum) is kleiner, heeft een borstband in plaats van een geheel zwarte borst en zit noordelijker in West-Australië; de arealen kunnen elkaar raken. De nullarborkwartellijster (Cinclosoma alisteri) is veel kleiner en zandgrijs en zit op de kale vlakte zonder mallee. De bruine kwartellijster (Cinclosoma cinnamomeum) en de bruinborstkwartellijster (Cinclosoma castaneothorax) zijn kleiner, kaneelbruin en vogels van steen en gibber (steenwoestijn met een dek van gepolijste keien) in plaats van struweel. De gevlekte kwartellijster (Cinclosoma punctatum) ten slotte is gespikkeld en zit in vochtiger bos in het zuidoosten. Kortom: bepaal eerst waar je staat.

Leefgebied

Mallee met een ondergroei van spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) of broombush, droog eucalyptusbos en open bos op zand, en mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) en ander acaciastruweel met open grond ertussen. Anders dan de bruine en de nullarborkwartellijster is dit geen vogel van kale steenvlakten maar van laag, dicht struweel waarin hij kan lopen en verdwijnen. Een dikke laag bladstrooisel is belangrijk: daar zoekt hij zijn voedsel. Recent en zwaar gebrande mallee wordt jarenlang gemeden, tot de ondergroei zich heeft hersteld.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het zuiden van West-Australië en het westen van Zuid-Australië: van de Goldfields en de randen van de Grote Victoriawoestijn oostwaarts tot de Gawler Ranges en het Eyre-schiereiland. De typelocatie, Wipipippee bij de zuidpunt van Lake Gairdner in Zuid-Australië, ligt in het oostelijke deel van dat gebied. Let op: deze soort is nadrukkelijk een westelijke vogel en komt niet aan de oostkust van Australië voor — die verwarring is makkelijk gemaakt omdat de Engelse en Nederlandse namen van de twee zustersoorten allebei naar rugkleur verwijzen en niets over ligging zeggen. Standvogel met een vast, betrekkelijk klein terrein.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop vroeg in de ochtend langzaam over een zandpad door oude mallee en luister naar de hoge fluitreeks van de grond. Kwartellijsters vliegen niet weg maar lopen weg, dus loop niet door als je iets hoort maar blijf staan en laat de vogel weer gaan lopen. Fotografeer de rug als het kan, met het licht in de rug: de kopertint is op een goede foto eerder vast te stellen dan door de kijker. En noteer bovenal de plaats — dat is bij deze soort het bewijsstuk.

Staat van instandhouding

De IUCN heeft de soort nog niet apart beoordeeld (NE), omdat zij pas kort als zelfstandige soort geldt en in de wereldlijsten nog onder de roodrugkwartellijster is meegeteld. Dat is een gegevenskwestie en geen bewijs dat het goed of slecht gaat. De bekende zorgen voor deze vogel zijn de grote, hete branden die in de laatste decennia grote oppervlakten mallee in één keer wegnemen, het ontbreken van oude, ongebrande mallee met een dikke strooisellaag, en de verwilderde kat. Ontginning van mallee voor landbouw speelt in het oosten van het areaal, rond het Eyre-schiereiland, de grootste rol.

Wetenschappelijke naam

Cinclosoma clarum | Morgan, 1926

Alexander Matheson Morgan beschreef de vogel in 1926 als Cinclosoma castanotum clarum, dus als ondersoort van de roodrugkwartellijster, in de South Australian Ornithologist; omdat de naam binnen hetzelfde geslacht is gebleven, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Vigors en Horsfield voerden Cinclosoma in 1827 in, uit Grieks kinklos (een niet nader bepaalde oevervogel) en soma (lichaam). Het epitheton clarum is Latijn voor 'helder, licht', naar de lichtere rug waarmee Morgan de westelijke vogels van de oostelijke onderscheidde. De typelocatie is Wipipippee, ruim acht kilometer ten oosten van de zuidpunt van Lake Gairdner in Zuid-Australië. Moleculair onderzoek aan het mitochondriaal DNA heeft in 2015 laten zien dat de oostelijke en de westelijke populaties door de Eyrean Barrier al lang gescheiden zijn, waarna clarum tot soort is verheven.