Alle soorten › Zangvogels › Kwartellijsters › Bruine kwartellijster

Bruine kwartellijster | Cinclosoma cinnamomeum

Cinnamon Quail-Thrush | Zordala canela

De bruine kwartellijster is de vogel van de kale steenvlakten rond het Eyremeer, waar bij dertig graden in de schaduw geen schaduw is. Hij is kaneelbruin als het gruis waarop hij loopt en laat zich pas zien als men er bijna op stapt. Van de zes kwartellijsters van het droge binnenland is dit de soort van het centrale, heetste deel.

Bruine kwartellijster (Cinclosoma cinnamomeum)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een uiterst hoge, ijle fluittoon die enkele seconden aanhoudt en nauwelijks te peilen is; veel vogelaars horen hem alleen nog met een opnameapparaat terug. Daarnaast klinkt een kort, hard tsjip dat tussen de vogels van een paar heen en weer gaat als ze elkaar op de vlakte kwijtraken. Het mannetje roept in de koelte van de vroege ochtend, vanaf een steen, een lage struik of gewoon vanaf de grond. In de hitte van het midden van de dag is de vogel volstrekt stil en zit hij onder een struik.

Luister: ZangXC924846

Opname: Louis Masarei — CC BY-NC-SA 4.0 · Mungerannie, Australia · xeno-canto

Herkenning

Zeventien tot twintig centimeter: de kleinste kwartellijsters na die van de Nullarbor, met een korte staart, ronde vleugels en verhoudingsgewijs lange poten. Het mannetje heeft warm kaneelbruine bovendelen zonder tekening, een brede witte wenkbrauwstreep die tot achter het oog doorloopt, een zwarte keel met een witte vlek aan weerszijden, en een smalle zwarte borstband die scherp tegen de witte buik afsteekt. De flanken zijn zwart met ronde witte vlekken. Het vrouwtje mist het zwart: keel en borst zijn grijsbeige, de wenkbrauwstreep is vuilwit tot beige, en de bovendelen zijn valer kaneelbruin. In de vlucht ziet men een lage, rechte, korte lijn over het gruis met wit in de staarthoeken.

Verwarrings­soorten

Veldherkenning zonder bekend areaal is bij dit complex vaak eenvoudigweg niet mogelijk, en dat moet gezegd worden. De nullarborkwartellijster (Cinclosoma alisteri) is de naaste verwant en werd tot de recente herziening als ondersoort van deze soort behandeld; hij is nog iets kleiner, zandgrijs in plaats van kaneelbruin op de rug en heeft meer wit op de onderdelen, maar zit uitsluitend op de Nullarborvlakte, honderden kilometers zuidwestelijker. De bruinborstkwartellijster (Cinclosoma castaneothorax) is groter en heeft een brede kaneelbruine borstband in plaats van een smalle zwarte; hij zit oostelijker, in Queensland. De westelijke kwartellijster (Cinclosoma marginatum) is groter, lichter gezoomd op de rug en zit in het westen. De roodrugkwartellijster (Cinclosoma castanotum) en de koperrugkwartellijster (Cinclosoma clarum) zijn beide een stuk groter en zwaarder, met een diep kastanjebruine respectievelijk koperkleurige rug, en houden van mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) en open bos in plaats van kale steen. Alleen de gevlekte kwartellijster (Cinclosoma punctatum) is onmiskenbaar anders: groter, zwart-wit gespikkeld, en een vogel van bos in het zuidoosten. Wie niet weet waar hij staat, moet de waarneming als 'kwartellijster, soort niet vastgesteld' noteren — dat is geen zwakte maar de juiste handelwijze.

Leefgebied

De kaalste terreinen van Australië: gibbervlakten (steenwoestijn met een dek van gepolijste keien) van donker, door de zon gepolijst grind met slechts verspreide lage struikjes, zoutbuskruid- en bluebushvlakten (blauwgrijs zoutstruweel van het halfwoestijnachtige binnenland) op klei, de randen van droge zoutmeren en zoutpannen, en zandige stroken met wat spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) ertussen. Kenmerkend is dat er nergens een boom staat. De vogel gebruikt de weinige struiken die er zijn als schaduw en dekking en de open grond ertussen om te lopen en te zoeken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het hart van het droge Australië, rond het Lake Eyre-bekken: het noorden van Zuid-Australië, het uiterste zuiden van het Noordelijk Territorium, het zuidwesten van Queensland en het uiterste westen van Nieuw-Zuid-Wales. De typelocatie, Sturt's Depot in het noordwesten van Nieuw-Zuid-Wales, ligt midden in dit gebied. Standvogel met een vast terrein, maar na jaren van uitzonderlijke regen of juist van langdurige droogte verschuiven paren over aanzienlijke afstanden; het areaal ademt met het weer. Overlap met de vijf verwanten is er nauwelijks — dat is wat de kaart zo bruikbaar maakt.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd vlak na zonsopgang stapvoets over een gibbervlakte en kijk naar de bermen van de baan: kwartellijsters lopen daar omdat het gruis er losser ligt. Stop bij elke beweging, ook als je denkt dat het een blad was. Het beste moment is de eerste twee uur van de dag, want daarna is de vogel onder een struik verdwenen tot de avond. Neem meer water mee dan je nodig denkt te hebben en noteer de plaats tot op de kilometer nauwkeurig.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een groot areaal en een leefgebied dat voor de mens weinig waarde heeft. De bedreigingen zijn indirect: begrazing door vee en verwilderde geiten neemt de lage struik- en kruidlaag weg, waardoor zowel schaduw als dekking verdwijnt, en verwilderde katten en vossen bereiken langs veedrinkplaatsen en wegen ook het diepste binnenland. Droogte op zichzelf is voor deze soort geen bedreiging maar de gewone toestand; de combinatie van droogte en begrazing is dat wel. Betrouwbare aantallen ontbreken, zoals bij vrijwel alle vogels van dit deel van het land.

Wetenschappelijke naam

Cinclosoma cinnamomeum | Gould, 1846

John Gould beschreef de vogel in 1846 als Cinclosoma cinnamomeus, en in dat geslacht staat hij nog steeds; de uitgang is later aangepast aan het onzijdige geslacht van Cinclosoma, wat een taalkundige en geen naamkundige wijziging is, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Vigors en Horsfield voerden het geslacht in 1827 in, uit Grieks kinklos (een niet nader bepaalde oevervogel) en soma (lichaam). Het epitheton cinnamomeum is Latijn voor 'kaneelkleurig', naar de bovendelen. De typelocatie is Sturt's Depot in het noordwesten van Nieuw-Zuid-Wales. De vorm alisteri van de Nullarbor werd lang als ondersoort bij deze soort gehouden en geldt sinds de recente herziening als eigen soort.