Alle soorten › Zangvogels › Monarchen › Kleine witkeelmonarch

Kleine witkeelmonarch | Myiagra nana

Paperbark Flycatcher | Monarca chico

De kleine witkeelmonarch is de tropische tegenhanger van de grote witkeelmonarch: hetzelfde glanzend zwart-witte pak, hetzelfde biddende jagen, maar alles een maat kleiner. Hij hoort bij het noorden van Australië, bij de papierschorsbomen langs de kreken en de moerasranden, en werd pas laat als aparte soort erkend. Wie hem in het veld wil scheiden van zijn zuidelijke tweelingsoort, heeft vooral aan de kaart iets.

Kleine witkeelmonarch (Myiagra nana)
Foto: GDW.45 — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een raspend, schurend geluid tijdens het bidden, van hetzelfde type als bij de grote witkeelmonarch maar in het algemeen minder luid en minder langgerekt; het volle scharenslijpersgeratel van de zuidelijke soort ontbreekt of is veel zwakker ontwikkeld. Verder een helder tweelettergrepig tu-whit als contactroep en korte, scherpe fluittonen. Omdat de twee soorten elkaar nauwelijks ontmoeten, is het geluidsverschil in de praktijk zelden nodig om ze te scheiden.

Luister: ZangXC843374

Opname: Craig Robertson — CC BY-NC-SA 4.0 · Delamere, Victoria Daly Region, Northern Territory, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een compacte vliegenvanger van zestien tot achttien centimeter met glanzend blauwzwarte bovendelen, kruin en kopzijden, en een zuiver witte onderzijde die de kin en de keel meeneemt. De staart is naar verhouding kort en het kuifje op de kruin is klein tot vrijwel afwezig, zodat het hoofd rond oogt in plaats van spits. Mannetje en vrouwtje zijn vrijwel gelijk; jonge vogels hebben een bruinere waas op de bovendelen. De vogel bidt, wipt met de staart en foerageert graag laag boven open grond en aan waterranden.

Verwarrings­soorten

De tweelingsoort is de grote witkeelmonarch (Myiagra inquieta), tot in de jaren negentig als dezelfde soort beschouwd. Eerlijk gezegd zijn beide op verenkleed vrijwel niet te scheiden: alleen de kortere staart, het kleinere kuifje en het geringere formaat wijzen de kleine witkeelmonarch aan, en dat zijn verschillen die je pas ziet als de vogels naast elkaar zitten — wat in de praktijk niet gebeurt, want de arealen overlappen nauwelijks. In tropisch Noord-Australië is elke biddende witkeelmonarch deze soort. De zwarte monarch (Myiagra alecto) deelt het leefgebied maar heeft bij het mannetje een volledig zwarte keel en buik en bij het vrouwtje een roodbruine rug. De kaneelborstmonarch (Myiagra ruficollis) heeft in beide geslachten een oranjeroodbruine keel, nooit wit.

Leefgebied

Bos van papierschorsbomen en open eucalyptusbos in het tropische noorden, vrijwel steeds in de buurt van water: langs kreken, om lagunes en moerassen, en aan de landzijde van mangrovegordels. Net als zijn zuidelijke verwant heeft de vogel open ruimte nodig om biddend te kunnen jagen; hij plukt insecten van gras, bast en bladeren en grijpt ze ook in de vlucht.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Noordelijk Australië van de Kimberley in Noordwest-Australië tot het zuidwesten van het Kaap York-schiereiland in Noord-Queensland, plus de noordwestelijke eilanden in de Straat Torres en het zuiden van Nieuw-Guinea. Het is een standvogel zonder aantoonbare trek; lokale verplaatsingen volgen de moesson en het opdrogen of vollopen van de moerassen.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in de droge tijd de papierschorsranden van een billabong (afgesneden rivierarm die alleen bij hoogwater doorstroomt) of kreek af en let op een kleine zwart-witte vogel die boven het gras blijft hangen. Ten noorden van ruwweg de Steenbokskeerkring is elke biddende witkeelmonarch deze soort, en is de determinatie daarmee rond; onderin de Golf van Carpentaria loont het toch de staartlengte in te schatten. Zoek niet naar een kuif — die is hier nauwelijks aanwezig.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort bewoont een uitgestrekt en dunbevolkt deel van tropisch Australië en Zuid-Nieuw-Guinea en profiteert eerder van de veeteeltlandschappen daar dan dat zij eronder lijdt, omdat runderen de grasondergrond kort houden. Mogelijke zorgpunten zijn veranderde brandregimes en de aantasting van kreek- en moerasoevers door vee en zwijnen, die de papierschorsbossen waarin de soort broedt verarmen. Van de zichtbare achteruitgang die de zuidelijke tweelingsoort in het agrarische Zuidoost-Australië doormaakt, is hier geen sprake.

Wetenschappelijke naam

Myiagra nana | (Gould, 1870)

John Gould beschreef de vogel in 1870 als Seisura nana, naar materiaal uit Noord-Australië; omdat hij nu in Myiagra staat, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myiagra gaat terug op het Oudgriekse muia ('vlieg') en agra ('vangst'). Het epitheton nana is Latijn voor 'dwerg' en zet de vogel af tegen de grote witkeelmonarch (Myiagra inquieta), waarvan hij lang als ondersoort gold. De Engelse naam Paperbark Flycatcher kiest de boom waarmee de soort verbonden is, de melaleuca of papierschorsboom; de Nederlandse naam kleine witkeelmonarch en de Spaanse monarca chico kiezen allebei het formaat.