Alle soorten › Uilnachtzwaluwen › Uilnachtzwaluwen › Gemarmerde uilnachtzwaluw
Gemarmerde uilnachtzwaluw | Podargus ocellatus
Marbled Frogmouth | Podargo ocelado
De gemarmerde uilnachtzwaluw is de kleinste en veruit de minst waargenomen uilnachtzwaluw van Australië: een slanke, langstaartige vogel van dicht regenwoud die overdag als een afgebroken twijg tegen een tak gedrukt zit. Hij leeft in twee kleine, ver van elkaar gescheiden gebieden — de tip van Kaap York en de regenwouden van zuidoostelijk Queensland — en is in het veld vooral een stem in het donker.
Geluid
In het donker beslist het geluid alles. De zuidelijke vogels van de Conondale- en Blackall-ketens geven een reeks lage, kloekende noten die steeds sneller achter elkaar komen en in toonhoogte oplopen of juist zakken, een kalkoenachtig gobbel-gobbel-gobbel-gobbel dat abrupt afbreekt — het geluid waaraan deze populatie in het veld wordt geteld. Daarnaast klinkt een vloeiend, vragend koer-loe, koe-loe, koe-loek, dat partners om beurten uitwisselen zodat het antwoord even later uit een andere boom komt. Bij verstoring blaast en sist hij en klapt hij met de snavel. Hij roept vooral in de eerste uren na het donker en opnieuw kort voor zonsopgang, en het meest tussen augustus en december.
Opname: Greg McLachlan — CC BY-NC-SA 4.0 · Maleny, Sunshine Coast Regional, Queensland, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een dodaarsmond van zevenendertig tot achtenveertig centimeter — merkbaar kleiner en slanker dan de andere twee soorten van het gebied — met een naar verhouding lange staart, lange stugge borstelharen boven de snavel en een brede platte kop. Het kleed is fijn gemarmerd en gestreept, van grijs via bruin tot roodbruin; mannetjes zijn meestal zilvergrijs met bruingrijze schubtekening, vrouwtjes roodbruiner tot vrijwel egaal donkerbruin, met witte vlekken en spikkels vooral op de onderdelen. De iris is oranje, van geel tot roodbruin — het snelste onderscheid van de andere twee soorten. Snavel en poten zijn grijs. In rust drukt hij zich schuin omhoog tegen een dunne tak en verdwijnt dan volledig in de omtrek van het hout.
Verwarringssoorten
De reuzenuilnachtzwaluw (Podargus papuensis) is de belangrijkste verwarring op Kaap York, waar beide in hetzelfde bos zitten: hij is met vijftig tot zestig centimeter aanzienlijk groter en zwaarder, heeft een veel massievere snavel en een rode iris in plaats van een oranje, en jaagt vaker langs bosranden, kreken en mangrove. De uilnachtzwaluw (Podargus strigoides) heeft een gele iris, een korte staart en een veel zwaardere snavel, en zit in droog eucalyptusbos, tuinen en langs wegen — precies het tegenovergestelde leefgebied. Wie alleen een silhouet ziet, houdt het op de staartlengte: die van de gemarmerde uilnachtzwaluw steekt opvallend ver achter de tak uit.
Leefgebied
Dicht, gesloten regenwoud en lianenstruweel in de laagvlakte en op de bergflank, vooral langs kreken en in vochtige valleien met veel lianen en een dichte kruidlaag. De zuidelijke vogels zitten tussen ongeveer vijftig en achthonderd meter hoogte in subtropisch regenwoud met palmen en lianen langs beken; de noordelijke in tropisch regenwoud en moessonbos van de kustvlakte. Buiten gesloten bos komt hij vrijwel niet, en anders dan de uilnachtzwaluw waagt hij zich nooit in tuinen of open bos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Twee ver uiteen liggende Australische gebieden, allebei klein. In het noorden de ondersoort marmoratus op de tip van Kaap York en langs een smalle kuststrook van het Iron Range tot in de omgeving van Yarraden. In het zuiden de ondersoort plumiferus, de Plumed Frogmouth, op de oostelijke flank van het Groot Australisch Scheidingsgebergte van Great Sandy National Park in Queensland — met de Conondale- en Blackall-ketens als kerngebied — zuidwaarts tot de streek van Ballina en Lismore in noordoostelijk Nieuw-Zuid-Wales. Daartussen ligt duizend kilometer zonder soort. Buiten Australië leeft hij op Nieuw-Guinea en de Aroe-eilanden. In Nieuw-Zeeland komt hij niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek de zuidelijke vogels in de Conondale-keten: loop na donker een bospad langs een kreek en blijf staan waar het regenwoud het dichtst is; het kalkoenachtige gekloek draagt door de vallei en is meestal het enige teken dat je krijgt. Neem een sterke lamp mee en schijn langs dunne, schuin omhoog staande takken op drie tot acht meter hoogte — de vogel blijft vaak zitten en de oranje oogweerkaatsing verraadt hem. Ga in de winter en het vroege voorjaar, wanneer hij het meest roept, en laat opnames achterwege in een gebied waar de soort beschermd is.
Staat van instandhouding
Op de wereldlijst niet bedreigd (LC), maar dat oordeel leunt op de grote populatie in Nieuw-Guinea. In Australië ligt het anders: beide populaties zijn klein en volledig van gesloten regenwoud afhankelijk, en de soort staat in Queensland als kwetsbaar te boek. Het kappen en versnipperen van regenwoud is de zwaarwegendste druk, samen met het verdwijnen van de dichte kreekbegroeiing waarin hij jaagt en de gevoeligheid van een vogel die één ei per legsel heeft en een klein, vast territorium aanhoudt. De zuidelijke vogels zijn in de jaren tachtig en negentig met afspeelonderzoek geteld en bleken op enkele honderden paren in de Conondale-keten uit te komen.
Wetenschappelijke naam
Podargus ocellatus | Quoy & Gaimard, 1832
Quoy en Gaimard beschreven de soort in 1832 als Podargus ocellatus, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het geslacht Podargus werd in 1818 ingevoerd door Vieillot, naar het Griekse podargos, 'snelvoetig' — een merkwaardige keuze voor een vogel die nauwelijks loopt. ocellatus betekent 'met oogvlekjes', van het Latijnse ocellus, verkleinwoord van oculus, 'oog', naar de ronde witte vlekken in het kleed; de Nederlandse naam vat datzelfde patroon samen als 'gemarmerd'. De typelocatie is de haven van Dorey, het huidige Manokwari op Nieuw-Guinea, waar de expeditie van de Astrolabe aanlegde.


